Dienstverhalen

Hier zijn verhalen uit mijn militaire dienst in 1962/63 opgenomen. Het gaat om ervaringen van de basistrainingen in Ossendrecht en bij de "parate hap", in mijn geval de 42e afdeling veldartillerie, waar ik bij de Charlybatterij als wachtmeesterverkenner was ingedeeld. Deze was gelegerd in de JWF-kazerne in Assen.

Bijgaand verhaaltje is een ironische beschrijving van de relatie die de soldaat met zijn geweer geacht werd te hebben en berust op persoonlijke herinneringen aan de militaire diensttijd van de schrijver, beginjaren zestig

Lees meer: Ik en mijn spuit

entree artilleriemuseum

Onlangs kwam mijn vroegere dienstkameraad en nog steeds vriend Guus op het lumineuze idee om eens een bezoek te brengen aan het artilleriemuseum bij ’t Harde, waarvan ik niet wist dat dat bestond. Wij hadden vroeger immers allebei bij de 42e afdeling veldartillerie in Assen gediend. Hij als stukscommandant en ik als wachtmeesterverkenner. Het was alleen niet in de zelfde periode geweest. We hadden elkaar pas leren kennen tijdens de herhalingsoefeningen in Crailo, maar daar hoeven we niet meer aan te worden herinnerd. Er was te weinig heldhaftigs aan, aan die mobiele colonnes. waar we toen bij waren ingedeeld.

Nee, dan de artillerie, wel de "Koningin van het slagveld" genoemd. Een kanon, dat was een wonder van technisch vernuft. Dat gold al voor de werptoestellen van de Grieken en Romeinen. Zo heb ik een keer een film gezien waarin de Romeinen het Joodse fort Massada met hun werptoestellen bestookten. Die ballista en katapulta waren het begin van de artillerie.

belegering fort

Lees meer: Bezoek aan het artilleriemuseum

Ik ben van de lichting 62-1 en moest opkomen, zoals dat heette, in februari 1962. In mijn herinnering  was het toen verrekte koud. Hartje winter moest ik naar Ossendrecht. Ik moest nog op de kaart opzoeken waar dat lag. Ik was wel goed in aardrijkskunde, maar van dat gat had ik toch nog nooit gehoord. Bleek het potverdomme echt helemaal aan het andere eind van het land te liggen, nog onder Roosendaal, pal tegen de Belgische grens aan. Verder hadden die klootzakken mij niet weg kunnen sturen. Daar kreeg je dan de basistraining zoals dat heette. Twee maanden duurde die.  

Lees meer: Basistraining in Ossendrecht

La Courtine was een voormalig Frans legerkamp in de Auvergne, niet zo ver van Clermont Ferrand dat door het Nederlandse leger gebruikt werd voor meer grootschalige oefeningen. In eigen land kon je als leger immers je kont niet keren en zou er veel te veel schadevergoeding aan boeren uitgekeerd moeten worden. Daarom gingen in de zestiger jaren de parate troepen allemaal een keer een week of zes naar La Courtine. In lange colonnes reed men daar dan met een gemiddelde gang van 40-50 km heen. Onderweg werd er geloof ik twee keer gebivakkeerd in oude leegstaande Franse kazernes, waaronder in ieder geval een in Mourmelon. Dat was voor de meesten niet direct een plezierreis. De Daf-truks die men toen had waren in niets te vergelijken met de vakantietouringcars van nu. Je moest dan ook de hele reis je binnenhelm ophouden. Met een houten kont kwam je aan.

Lees meer: La Courtine en op de Lüneburgerheide

Buiten de oefeningen was er op de kazerne niet veel te beleven. Je draaide om de beurt week-en wachtdiensten en dan had je nog wel eens aardige contacten met manschappen. Zo maakte ik een keer als wachtcommandant een interessante opinie-uitwisseling in het wachtlokaal mee. In een eerlijk gesprek vertelde soldaat Buist mij dat hij, verloofd zijnde, ”het” wel deed met zijn verloofde.  

Na enige tijd van vaste verkering ging dat vanzelf zei hij, vooral als je ertoe in de gelegenheid was. Hij vond het ook niet slecht, daar je per slot van rekening weet met wie je het deed. Je kent elkaar al wat langer en denkt voor elkaar te zijn weggelegd.  Fout vond hij, dat je het na een tweede keer al zou doen, dus als je het meisje verder nog niet goed kent. Korporaal Schepers, die er bij zat, dacht er ook ongeveer zo over.

Lees meer: Het kazerneleven

Zo heette dat: als je de militaire dienst verliet. Daarbij moest je je P.S.U. inleveren. Dat is je Persoonlijke Standaard Uitrusting. Een aantal zaken heb ik toen niet ingeleverd. Sommige dingen vond ik namelijk toch wel handig in mijn verdere bestaan als burger. Zoals daar was het naaigarnituurtje. Een buitengewoon handig klein foudraaltje waarin een paar veiligheidsspelden, naalden en een pincet pasten. Voor mee op reis. Dat zelfde gold voor de mestins. Die heb ik nog een paar keer mee gehad op een huttentrektocht in Tirol samen met Robert Jan. Daar kon je onderweg mooi soep in koken. De veldfles is ook heel wat keren mee geweest. En het legermes natuurlijk. Niet zo soepel als zo’n Zwitsers zakmes maar  toch best bruikbaar. 

Lees meer: Afzwaaien