In de winter van 1962 /63 lag ik in Assen zoals dat heet en hadden we eigenlijk geen blasse Ahnung van de politieke verwikkelingen en hun mogelijke implicaties. Maar we hadden natuurlijk wel oefeningen en over een zo’n oefening gaat dit verhaal, omdat de boerderij van mijn tante Hillie en oom Garrelt hierin centraal staat.

Ze hadden mij in het leger wachtmeester-verkenner gemaakt. Kennelijk hadden ze in de opleidingsperiode een oplettend kereltje in mij gezien. Maar misschien ook wel een Einzelgänger, want een verkenner opereert los van zijn eenheid. Je weet niet wat ze allemaal uit je kunnen trekken bij al die psychologische testen die ze je laten doen als ze wat in je zien. Nou , als je een oplettende Eigenheimer bent die een beetje kan improviseren, dan wordt je blijkbaar verkenner. In mijn geval wachtmeester-verkenner, want zo heet dat bij de artillerie (en ook bij de cavalerie). Wij als wachtmeesterverkenner reden met een jeep. Ik was ook best wel blij dat ik bij de artillerie mocht gaan dienen. Want van mijn tiende tot mijn veertiende was ik verzot geweest op een kattepult, waarmee ik vanaf het platdak van ons huis op vogels schoot. Ik raakte ze nooit, anders was ik er wel mee gestopt denk ik. Mijn taak bij de artillerie was echter om wel wat te raken. 

Uitgerekend in de tijd dat ik mijn diensttijd moest vervullen viel de barre winter van 1962 /63. Volgens het KNMI was deze winter de koudste van de hele 20e eeuw. Het was in die winter dat op een dag een verschrikkelijke sneeuwjacht de sneeuw plaatselijk huizenhoog had opgezwiept.  

Winter 1963 (helaas niet meer beschikbaar)

Foto uit de Collectie van Anton de Wijk

Hele dorpen waren afgesloten. Misschien is wel officieel de noodtoestand uitgeroepen, want er werden manschappen van het garnizoen van Assen ingezet om dorpen die helemaal niet meer bereikbaar waren te ontzetten uit de kille klauwen van de witte vijand. Zo werd de Charly batterij van de  42e afdeling veldartillerie, waar ik toe behoorde, ingezet om de weg Vries- Donderen uit te graven, zodat er weer een bakker langs de huizen kon. Zo konden we onze  pioniersschopjes, eigenlijk bedoeld om schuttersputjes te graven,  ook eens nuttig gebruiken. Door ons een weg te graven en vandaar uit de boerderijen en andere behuizingen weer een frei hinein te verschaffen. Vooral de laatste meters naar de voordeur werd er flink gebuffeld, want dan kreeg je de lucht van hete koffie met Drentse kouke, die al op je te wachten stond, in de neusgaten. Als bevrijders werden we begroet. En dan na een tijdje op naar de buurman. 


Het mooiste was misschien nog wel dat de rangen en standen hier volkomen waren weggevallen. Iedereen groef en ploeterde alsof hij zijn eigen Opa onder de sneeuw vandaan moest halen. Tegen het einde van de dag hadden we de weg vrij. En dan was je met een paar honderd man dus bezig geweest. Je had dan zeker acht koppen koffie of chocola gehad en zelfs een keer soep met worst geloof ik. Een enkele burger bood in mijn herinnering zelfs een slokje Drentse kruidenbitter aan, maar het werd door de hogere legerleiding niet toegestaan op die uitnodiging in te gaan.  Toch hield dat de totale verbroedering tussen militairen en burgerij, die van deze bevrijding het gevolg was, niet tegen.

Nou, in die zelfde winter  hadden we ook een keer een oefening.  Het was geloof ik een tijdje na dat sneeuwgraven. Daar hadden we ons toen nog warm mee kunnen houden. Maar nu was het andere koek.
De generale staf had een grote brigade-oefening gepland. Nou, dat is niet niks. Met een brigade zou je de vijand zeker een dag kunnen tegenhouden. Die vijand was in die tijd duidelijk heb ik net uitgelegd. Dat was de Rus en die zat in het Oosten. Met iets van 275 divisies in Oost-Duitsland en Polen, die met wind in de rug in ongeveer anderhalve  dag aan onze Noordzeekust konden staan. Als wij er niet waren. De wereld was toen nog heel wat overzichtelijker dan tegenwoordig. Je wist wie je vijand was.    

(Het was de zelfde winter als waarin de meest barre van alle Elfstedentochten plaatsvond en de heldentocht van Reinier Paping en anderen zich voltrok. Wel een beetje zuur hoor dat daar nu nog steeds zo'n ophef van gemaakt werd, terwijl wij ons in die zelfde bittere koude moesten voorbereiden om het goede vaderland te verdedigen. Maar ja, zo is het lot van Jan Soldaat)

Het was dus ook duidelijk dat de oefening zich aan de oostkant van onze provincie zou afspelen, om precies te zijn ten oosten van de Hondsrug. Onze kanonnen zouden ergens verdekt in de bossen op de Hondsrug opgesteld worden en konden vandaar uit het hele Drents-Groninger veenkoloniale  gebied bestrijken. Het zou flink van Jetje gaan, want een  brigade  dat zijn twee bataljons infanterie, een afdeling artillerie en nog wat hulptroepen. Een paar duizend man wel. Ik hoop trouwens dat ik hier geen dienstgeheimen mee schend. Het is weliswaar bijna vijftig jaar geleden, maar met die militaire gewichtigdoenerij weet je het nooit.

Het was bitter koud die dag. Er joeg een venijnige noordooster over de schrale vlakten van de veenkoloniën. En nergens een boom waarachter de arme infanteristen enige beschutting konden zoeken. Het graven van schuttersputjes was er die dag helaas niet bij. De grond was te hard bevroren.  Maar bovendien had de hogere legerleiding ook besloten dat het om een bewegelijk front zou gaan. We zouden dus moeten "oprukken" zoals dat heet.

Als waarnemer kreeg ik een bepaald segment op een stafkaart toegewezen waarbinnen wij een waarnemingpost moesten inrichten.  Het was een behoorlijk breed segment. Het werd  zo ongeveer gevormd door de driehoek  Annen -Foxhol-Sappemeer met Annen als punt van de driehoek. Een behoorlijke grote sector dus. Maar het was dan ook een grote oefening en die kanonnen van ons die schoten maar zo een kilometer of tien-twaalf.  Dus het maakte niet zo veel uit waar je zat. Als je maar goed om je heen kon kijken zonder zelf gezien te worden. Dat was eigenlijk het hele eieren eten bij het vinden van een goede waarnemingspost. Mogelijk zouden we doelen ontdekken langs het langgerekte Annerveenschekanaal.  Of misschien reden er Russische kolonnes op de Kielster Achterweg.

Ik bekeek de kaart zorgvuldig en meldde mijn kornet, dat is de bevelvoerende officier van het groepje, je bent in principe met zijn drie-en, een officier, een onderofficier en een chauffeur, dat ik een goede waarnemingspost op het oog had.
Op dat moment had ik een fillerkornet (Een filler is iemand die net nieuw is) terwijl ik de ervaren wachtmeester was. Hij informeerde belangstellend wat ik dan op het oog had. Daarop wees ik hem op de kaart een boerderij aan die een paar honderd meter ten oosten van de weg Spijkerboor-Eexterveen lag. Deze boerderij lag uiterst gunstig, want aan de kant van het front waren geen uitzichtbelemmerende objecten zoals andere boerderijen, schuren, bosjes en bulten. Je keek bij wijze van spreken zo de Rus in zijn smoel, als die zich in Annerveenschekanaal zou vertonen. Nou de kornet vond het best, het was wel een aardige jongen.


En zo reed er een half uurtje later een bewapende militaire jeep met aanhanger het oprijpad van de boerderij van mijn oom Garrelt en tante Hillie op. Toen die jeep even later hun erf opreed, kwamen ze naar buiten en zetten grote ogen op. Militair volk aan de deur. Wat most dat?  Maar toen ze mij  herkenden was het al gauw goud. Natuurlijk konden we bij hun een waarnemingspost inrichten. Wie waren er nou gastvrijer dan tante Hillie en oom Garrelt? Nee, dat hoefde echt niet op de koude deel. Daar vroor het ja. In de woonkamer was het toch veel lekkerder warm?  Nou, de jas kon wel uit daar. En de helm kon wel af. De kogels vlogen je toch ook niet om de oren daar? Mijn spuit, zo noemde je je geweer, zette ik in de half lege kolenkit -ze stookten nog met kolen toen-  dan kon die niet omvallen. Tante Hillie vroeg of we zin in koffie hadden. Nou, wel zeker. De kornet vond het ook allemaal best. En waarom ook niet? Het is toch ook waar dat hij die van de omstandigheden het beste gebruik weet te maken de oorlog meestal wint?

Ik testte even of onze draagbare radio van een kilo of tien het deed. Ja hoor, hij deed het en ik kon over de lultalie (de op de radio aangesloten telefoon)  melden dat een waarnemingspost was gevonden en ingericht en dat wat mij betreft het inschieten kon beginnen. Intussen had ik met die stumpers daar ergens op de Hondsrug te doen die die grote proppenschieters van hun schietklaar moesten maken. Als je geen handschoenen aan had vroren je handen zowat aan de loop vast. "Stukstiere" noemden wij waarnemers hen, want ieder had zo zijn eigen taalgebruik.

Natuurlijk werd er niet echt geschoten. Tenminste niet met scherp. Droogschieten noemden wij dat. Eigenlijk vond ik dat wel jammer, want in mijn kattepulttijd had ik toch ook altijd stenen, stuiters of desnoods beukenootjes gehad.  Maar met scherp schieten mocht alleen als we naar Oldebroek op de Veluwe of naar de Lüneburgerheide in Duitsland gingen.

Dat droog schieten, dat was maar niks. Dan hoorde je er als waarnemer eigenlijk niet bij. Niet dat altijd zo erg was. Ik herinner me nog een eerdere oefening in Drenthe. Dat zou ook een grote oefening zijn. Nou, ik heb de hele middag en avond dag geen mens gezien, tenminste geen militair. En ook geen burgers, want het was veel te koud. Het was immers nog die zelfde rotwinter en er woei ook toen een gemene noordooster. Het was echt afzien. Met die oefening was ik alleen met de chauffeur. De kornet lag ziek te bed of had iets anders. Het was langs de weg van Taarlo naar Oudemolen. We moesten wachten. Waarop dat weet ik nu niet meer, maar toen ook niet vermoed ik. Onze jeep was halfopen en dus onverwarmd. We stonden aan de kant van de weg en moesten daar halt houden. Onverwachte tegenstand ergens? Je wist nooit waarom. Dus je stond of hing daar maar te wachten. Het was om te verrekken zo koud ; je voelde bij wijze van spreken de ijsbloemen op je rug groeien. Mijn  chauffeur en ik waren echter echt niet zo gek om ons daar doodgemoedereerd te laten dood vriezen. En omdat er toch niemand op ons lette zijn we toen, elk aan een kant, onder het dekkleed van onze aanhanger gekropen. Scheelde een stuk, want je lag uit de wind, maar lekker was anders.

Maar met deze oefening was dat anders. Ik zei al dat tante Hillie altijd erg gastvrij was. We kregen dus koffie met kouke en na nog eens een uurtje kwam er zelfs een bord heerlijke soep. 
Zo tussendoor keken wij wel eens door het raam naar het doelgebied of wij daar nog wat geschikte doelen konden vinden. Ik gaf dan door de radio wat coördinaten door en vervolgens wat quasi correcties. Maar dat had allemaal niets om het lijf natuurlijk. Er was helemaal geen Rus te zien of iemand die zich daarvoor uitgaf.  De batterij met haar zes stukken kon ons daarom rustig aan onze kont roesten. En toen onze  radio het ook niet meer deed, misschien wel door de overgang van koud naar warm, waardoor mogelijk condens was ontstaan, toen vonden we dat ook niet erg. Wat moet je er ook aan doen in zo'n situatie? Het was immers ook geen oorlog. Na een tijdje verscheen er toen een jeep op het oprijpad, want we hadden wel onze positie doorgegeven. De jongens van de batterij moesten immers wel weten waar je zat, anders konden ze niets met je correcties. Als jij een vuurrichting aangeeft moeten ze weten vanuit welke plek je dat doet. Zat er een of andere verbindingsofficier in die jeep, een liaisonofficer heette hij,  die poolshoogte kwam nemen. Nou ik heb die koude neus de zaak uitgelegd en toen is hij weer weggereden in zijn halfopen jeep. Hij zag geen reden om bezwaar te maken tegen de aard van onze waarnemingspost. Tja, een goede militair moet kunnen improviseren en improviseren dat is er het beste van maken. Persoonlijk vond ik het dan ook een zeer geslaagde oefening en ik denk er nog vaak met een licht sarcastisch genoegen aan terug. 


einde
 
meer dienstverhalen lezen?
Afzwaaien
Basistraining in Ossendrecht
Bezoek aan het artilleriemuseum
Herhalingsoefeningen
Het kazerneleven
Ik en mijn spuit
La Courtine en op de Lüneburgerheide