Lange tijd heb ik gedacht dat ik deze dans zou ontspringen. Pas toen ik er van uitging dat deze beker  aan mij voorbij zou gaan, kwam de oproep. 

Des te groter was de ontgoocheling toen ze me bleken te hebben ingedeeld bij de mobiele colonnes. Wat was dat nou? Moest ik dan niet naar mijn oude onderdeel? Het waren toch herhalingsoefeningen? Dan ging het er toch om dat je je oude metier weer opnam om te kijken of het allemaal nog een beetje ging en anders moest je bijspijkeren. Maar mobiele colonnes. Dat was toch een onderdeel voor watjes? Hadden ze me daarheen gedegradeerd?  Ik die het verloop van veldslagen beslissend kon beïnvloeden door tijdig doelen op te merken en uit te schakelen? Was de veldartillerie niet de koningin van het slagveld? En nu dit? Waar had ik dat aan te danken? 

 Op de oproep stond dat ik me in Crailo moest melden. Kamp Crailo. Waar lag dat in Godsnaam? 

Nou ja, er viel niet aan te ontkomen. Ik bekleedde bij de Gasunie niet een zodanige functie dat , als ik er niet was, de aardgasvoorziening op zijn gat kwam te liggen. Gelukkig betaalde de Gasunie mijn salaris door.   

En zo arriveerde ik op een koude winterdag met nog een aantal andere ietwat verkleumde heren in kamp Crailo. Dat is ergens in de buurt van Hilversum.

Ik moet zeggen, dat we daar wel heel anders bejegend werden als bijna vijftien jaar eerder in Ossendracht, waar we voor onze basistraining moesten opkomen. Of de heren zich alstublieft in de voor hen passend geachte dracht wilden omkleden. Enzovoort. Niks looppas naar een appel. Maar of de heren zich misschien in beweging wilden zetten. En je mocht in je eigen tempo naar de onderofficiersmess lopen, waar je bediend werd. Dus niet langs een lange counter in een rumoerige kantine, vreetschuur genaamd, waar ongewassen kerels met een koksmuts op je een druipende pollepel soep in je mestins kwakten en je soms achteruit moest deinzen om niet wat van het flikkers hete spul over je heen te krijgen. 

Wat een schril contrast met nu was het. Ook de officieren en onderofficieren waren werkelijk allerbeleefdst tegen je. Wat wil je ook? Wij hadden bijna stuk voor stuk maatschappelijk posities bereikt, waarvoor zij hun lippen konden aflikken. Dat leidde geregeld tot meewarig komische uitspraken. Zoals van die kleine opperwachtmeester, die ons moest uitleggen hoe je met slachtoffers van een atoomaanval moest omgaan. Ik noem maar een voorbeeld. Af en toe hadden we een vraag waarop hij het antwoord moest schuldig blijven. Een keer, toen dat weer gebeurde, zei hij dat hij het niet allemaal wist, omdat hij maar ”een klein klotenklappertje” was. Het kwam er zo zielig uit. Ha, ha, een klotenklappertje. Wat is eigenlijk een klotenklappertje? Hoe kwam hij er bij? Maar sindsdien gebruik ik de uitdrukking voor mensen die zich als klotenklappertje gedragen. Mensen zoals hij dus. Een klotenklappertje is dus iemand die er niet toe doet, die niets van enig belang klaar krijgt, ook al is hij van goede wil. 

Verder had je een oude grijze kapitein, die het leed van 35 jaar trouwe dienst goed was aan te zien. Ik weet niet meer wat hij onderwees. Maar zijn belangrijkste wens was geloof ik om met ons goede maatjes te zijn. Nou dat had ik bij de parate troep ook anders meegemaakt.

Ik weet bijna niets meer van wat ik daar in Crailo geleerd heb. Jammer wel, want ik heb er bijvoorbeeld mijn EHBO –diploma gehaald. Het had mijn hart niet. Een nicht van mij die een tijd in een inrichting voor geesteszieken gewerkt heeft, heeft mij ooit eens gevraagd of ”broeder” worden niets voor mij was.  Nee dus. Hoogstens ”wapenbroeder”. Want er lijkt mij tussen mannen geen mooiere vriendschap te bestaan dan die van tussen wapenbroeders. Als ik dat mooie nummer van Dire Straits “Brothers in arms” hoor, dan word ik zelfs een beetje week.  

Zo leerde ik daar in Crailo Guus kennen. Ook zo maar uit het volle bedrijfsleven weggerukt om iets onbenulligs te gaan doen. Want wij zagen ons nieuwe onderdeel toch een beetje als een soort B.B. Dat B.B. stond niet voor Brigitte Bardot maar voor Burger Bescherming en dat vonden wij maar zo zo. Dat was toch een beetje Dad’s Army. Nou zulke sukkels waren wij toch niet?  

Misschien omdat wij de nieuwe situatie allebei het zelfde aanvoelden, dat wij ons tot elkaar aangetrokken voelden. Wij moesten er maar het beste van zien te maken. En blijven lachen als er wat te lachen viel en anders ook maar.  Zoals tijdens de prikoefeningen. Als sergeant “genezerik”, een uitdrukking van Guus, moest je namelijk diverse soorten injecties kunnen toedienen. Intraveneus, dat is vlak onder huid en intramusculair, dat is dus wat dieper. Dat heb ik dan nog onthouden. We moesten ook oefenen. Niet op een pop, maar op elkaar. Nou, lollig is anders hoor. Guus ging een keer zelfs van zijn stokje. Ik weet niet meer of dat nou van het krijgen of van het geven van een prik kwam. Ik denk het laatste.  Ik geloof dat hij vanzelf weer bijkwam. Een brandewijntje of iets anders hartigs kon er daarna niet van af.

Wat ik daar ook geleerd heb is de brandweergreep. Dat is de greep waarbij je iemand over een wat langere afstand kunt dragen. Was na de herhalingsoefeningen wel leuk om thuis eens met  vrouwlief te demonstreren. Dat heette dan rampbestrijding. Je moest dan mensen uit ingestorte huizen proberen te bevrijden. Daar had je dan een wit geverfde dichte jeep voor. Dat was wel een hele vooruitgang, vergeleken met die halfopen jeeps van de parate hap. 

Na zes weken konden we eindelijk met “groot verlof” gaan zoals dat heet. Echte wapenfeiten heb ik in die periode niet op mijn naam gevestigd. Of het moet al tijdens dat sneeuwballengevecht op het kazerneterrein in Crailo geweest zijn. We kwamen net uit de mess en het bleek aardig te hebben gesneeuwd. Het zonnetje scheen en in balorigheid gooide er iemand een sneeuwbal naar een ander. In een oogwenk deed er een hele club mee, in twee tegenover elkaar staande groepen. Wat moest je er ook anders? Ik deed natuurlijk ook mee. Ik gooide vroeger als kleine jongen al stenen over en in de Vaart in Assen. Het is een wonder dat de Vaart er niet door gestremd is geraakt. In die strijd van dertigplussers ging het verhit toe. En daarbij kon ik toen, anders dan in mijn waarnemerstijd, eens van dichtbij zien wat ik aanrichtte. Ik gooide namelijk een makker met een welgemikt schot vanaf toch tenminste  twintig meter zijn baret van de kop. Geweldig. Ik denk er nog wel eens aan terug en verkneuter me dan nog meer dan toen. Want toen was je bezorgd dat je hem bezeerd had. Wat niet zo was.

einde

reageren?

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

meer dienstverhalen lezen?

Afzwaaien

Basistraining in Ossendrecht

Bezoek aan het artilleriemuseum

Een puike waarnemingspost

Het kazerneleven

Het kazerneleven

Ik en mijn spuit

La Courtine en op de Lüneburgerheide