het dekolonisatieproces van Nederlands Indië heeft een ver familielid van mij, Mr. Bernard Jan Lambers, als opsporingsambternaar van het Openbaar Ministerie een belangrijke rol gespeeld. Opgeleid als jurist aan de Leidse Universiteit kwam hij onder de invloed van de "ethische school" en sympathiseerde hij met het streven naar onafhankelijkheid van Nederlands Indië. Daarmee kwam hij tijdens de onafhankelijkheidsstrijd tussen twee vuren terecht. Want de orde moest natuurlijk ook gehandhaafd worden en een deel van de opstandelingen maakte zich schuldig aan gruwelen jegens de Nederlanders en de aan hen trouw gebleven Indonesiërs. Zo  kwam hij op Zuid Celebes, waar de terreur het grootst was , in aanraking met het optreden van het Depot Speciale Troepen, waarin kapitein Westerling op onwettige doch effektieve wijze de terreur bestreed. Dit verhaal beschrijft het optreden van Bernhard Jan in voormalig Nederlands Indië, waarin hij zo goed en zo kwaad mogelijk trachtte toch nog zo veel mogelijk van de rechtsstaat overeind te houden.

 

Bernard Jan was de jongste zoon van ds. Cornelis Lambers over wie ik een uitgebreid familieverhaal geschreven heb: Ds. Lambers had avontuurlijke zoons. Op 17 jarige leeftijd was Bernards oudste broer Gerrit van huis weggelopen en in Amerika terecht gekomen, waar hij een avontuurlijk leven leidde en waarmee de familie ten slotte elk contact verloor.

Met Bernard ging het anders. Ook hij was avontuurlijk aangelegd, maar er gebeurde iets waardoor hij er voor koos toch ook zijn verantwoordelijkheid te nemen. Dat was de plotseling dood van zijn vader, die in het harnas stierf toen hij op de kansel een fatale hartaanval kreeg. Dat gebeurde op 20 november 1911, toen Bernard 10 jaar was. Later, toen zijn oudere broers naar het buitenland waren vertrokken, nam hij het beheer van het familiekapitaal op zich. Vader was namelijk getrouwd met een dochter van het gegoede  Friese boerengeslacht Noordmans. Zijn moeder had dus wel wat meegebracht.

Bernard had toen als zestienjarige bijna het hele familiekapitaal in Russische effecten belegd. Veel Nederlanders deden dat in die tijd, vooral in spoorwegmaatschappijen. Toen echter in 1917 de Bolsjewisten in Rusland aan de macht kwamen, naastten zij de spoorlijnen zonder een cent compensatie. Die effecten waren daardoor van de ene op de andere dag niet meer waard dan het papier waarop zij gedrukt waren. Dat heeft toen tot vele familiedrama’s geleid.

Dit ook voor de familie Lambers noodlottige voorval heeft Bernard er toe gebracht om zich de rest van zijn leven voor zijn moeder en zusters financieel in te zetten. Dat was echter alleen mogelijk als hij niet zijn beide broers achterna zou gaan. Hij koos daarom voor een studie die hem voor de toekomst een zeker inkomen zou kunnen verschaffen.

Omdat er in die tijd alleen beurzen voor onvermogende studenten voor Indisch recht en voor theologie waren, ging hij Indisch recht in Leiden studeren. Mogelijk zou dat een combinatie van een afwisselend leven in Indië met een gegarandeerd inkomen opleveren. In 1926 kreeg hij zijn bul uit handen van prof.mr. C. van Vollenhoven.

Zijn leermeester was een van de voormannen van wat de “ethische school” genoemd wordt. Deze leerschool heeft hem tezamen met zijn protestantse opvoeding tot een aanhanger van de ethische politiek gemaakt. Wat hem zoals we nog zullen zien in zijn carrière als vervolgingsambtenaar in Indië en later ook in Suriname nog voor pijnlijke dilemma’s zou plaatsen.

Omdat hij in Indië tot een van de meest gezaghebbende ambtenaren van het Nederlandse gouvernement is opgeklommen en vanuit die positie het Nederlandse beleid zowel van voor de oorlog als na de oorlog mede heeft vorm gegeven, heeft zijn kleindochter J.S. Kaasjager in 1995 haar doctoraalscriptie aan Bernard Jan Lambers gewijd. De titel hiervan is “Tusschen twee vuren.” Zij heeft het opgedragen aan haar grootmoeder Itte, die in 2012 op 102 jarige leeftijd is overleden.

Een bron voor haar motivatie was dat Bernard Jan veel sympathie voor de Indonesische onafhankelijkheid voelde en dat hij om principiële reden ontslag heeft genomen. Verder had hij zich publiekelijk geuit over de “methode Westerling”, een zeer omstreden kwestie uit de geschiedenis van de politionele acties op Zuid-Celebes. Zijn vrouw Itte wilde zowel voor de familie een “demythologisering “van Lambers tot stand brengen als voor de buitenwacht een realistisch doch tevens genuanceerd beeld schetsen van de vervolgingsambtenaar Lambers. Voor iedereen die geïnteresseerd is in de ontwikkelingen binnen Nederlands Indië voor en na de oorlog is deze doctoraalscriptie een zeer leerzame verhandeling.

Onderstaande bijdrage is gedeeltelijk een uittreksel hiervan, hier en daar aangevuld met enkele persoonlijke aantekeningen van zijn kinderen Just en Tine, omdat wij ons vooral hebben gericht op de persoonlijke belevenissen en handelingen van Bernard Jan in de periode dat hij als vervolgingsambtenaar actief is geweest, d.w.z van 1926 tot 1947. Wel heb ik zijn handelen geplaatst binnen de historische context van zijn tijd, want die is natuurlijk hoogst interessant geweest.

Al lezende blijkt dat Bernard Jan in Indië toch ook nog wel zijn behoefte aan avontuur en afwisseling heeft kunnen bevredigen. Hij heeft namelijk een groot deel van de archipel kunnen verkennen, omdat hij als vervolgingsambtenaar veel onderzoek ter plaatse moest verrichten. Zo kreeg hij op eigen verzoek, toen hij na een jaar al overgeplaatst werd na Medan op Sumatra om daar als substituut officier te gaan werken, een gouvernementsschip tot zijn beschikking, waarmee hij zijn ressort beter kon bestrijken. Dat reikte van 450 km naar het Noorden tot 800 km naar het Zuiden.

In die tijd leidde Bernard een ambulant bestaan. Met dit schip van 50 ton kon hij sneller op onderzoek en getuigenverhoor uit. Daarnaast trok hij ook met zijn gezelschap te paard de binnenlanden in om recht te spreken. Tijdens die onderzoektochten  kreeg hij nogal eens met mishandeling van Chinese koelies te maken. Vaak waren die onder valse voorwendselen geronseld voor werk in de vloedbossen. Volgens hem leefden ze onder beroerde omstandigheden. Stonden de vloedbossen onder water dan zaten er krokodillen en bij droogte wemelde het er van de slangen en tijgers.

Tot 1929 waren deze koelies min of meer vogelvrij, want toen gold nog de zogenaamde “poenale sanctie”. Die gaf planters het recht om weggelopen koelies te bestraffen. Na 1929 werd die sanctie geleidelijk afgeschaft. Bernard was dus onder meer belast met de naleving daarvan.
Dit soort werk bood Bernard voldoende avontuur en voldoening. Een aanbod om raadslid van Padang te worden sloeg hij daarom af.

Pas in Batavia, in 1930, wordt hij ook geconfronteerd met de politieke situatie van die tijd. Daarop wordt hij lid van de “de Stuw”. Dit was een neo-ethische groepering. Deze propageerde participatie van Indonesiërs aan het landsbestuur. Doel was de oprichting van een “Indisch Gemeenebest”. Een beetje vergelijkbaar  met het Britse Gemenebest. Tegen de Stuw werd door de veel grotere groep “De Vaderlandse Club” echter fel van leer getrokken.  Die noemde de Stuw slechts ambtenaren die op staatskosten het staatsgezag der Rijkseenheid ondermijnden. Deze groep had in 1934 7000 leden tegen de Stuw slechts 270.

Intussen moest Bernard wel orde en gezag handhaven. De aanhangers van de Stuw vonden echter dat het Hoofdparket zich alleen zou mogen bezighouden  met het opsporen van strafbare feiten en niet met politiek beleid. Dit speelde allemaal naar aanleiding van de veroordeling van Soekarno in 1930.  Bernard was blij dat hij net een paar dagen met verlof was geweest, zodat hij er niet rechtstreeks bij betrokken was. “ … ik ben niet zoo erg tegen dat nationalistische gedoe, zoodat ik er liever niet dan wel in roer”, schreef hij aan zijn moeder.

In 1931 werd hij op de mishandeling van een onschuldig man door de veldpolitie gezet. Hierbij speelde de controverse tussen de Indische regenten, die vonden dat de veldpolitie onder hen jurisdictie behoorde en het Nederlandse bestuur. Het lukte Bernard om ondanks tegenwerking van de regent voldoende bewijs te vergaren. Daarop ried men hem aan zo snel mogelijk het gebied te verlaten, omdat hij nu voor zijn leven te vrezen had. Het werk kon voor Bernard dus af en toe best spannend worden.

Na een langdurig verlof in Nederland, waar hij zijn vouw heeft leren kenen, keerde hij terug als substituut OvJ in Makassar op Zuid-Celebes onder OvJ Jonkman, de latere minister van Overzeesche Gebiedsdelen. Al na anderhalf jaar, in mei 1934,  werd hij echter overgeplaatst naar Paramaribo in Suriname en daar gedetacheerd als advocaat generaal bij het Hooggerechtshof in Paramaribo. Dit kan verband gehouden hebben met zijn niet zo goede persoonlijke relatie met zijn superieur Jonkman. Bernard zou Jonkman een te afstandelijke man gevonden hebben gevonden. In Paramaribo zou hij met zijn gezin voor drie jaar verblijven. Het ziet er naar uit dat hij deze overplaatsing heeft aangegrepen om zijn broer Gerrit te gaan zoeken.

In Suriname kreeg hij al gauw de bijnaam “Le Tigre”. Dit omdat hij de in Suriname welig tierende corruptie zeer hardhandig aanpakte. Hij ontsloeg een groot aantal hoofdambtenaren en het merendeel van de anderen werd van hun taak ontheven. De bevolking was hem er dankbaar voor. Het verhaal gaat dat bij zijn vertrek Surinaamse vrouwen hem uitgeleide deden en uit eerbetoon voor hem hun hoofddoeken op de grond legden. In die drie jaar heeft hij heel Suriname doorkruist, ook door gebieden waar de daar verblijvende Indianen nog bernard bij de surinaamse indianennooit een blanke hadden gezien.

Na afloop van de detacheringsperiode kreeg Bernard het aanbod om advocaat generaal van de Nederlandse Antillen te worden, maar dit aanbod sloeg hij af. Vooral omdat Itte, zijn vrouw, liever naar Indië terug wilde.

Eind 1939 komen ze dan weer in Batavia aan. Hier werd hij opnieuw substituut officier van justitie (OvJ) in Batavia.

 

De oorlogsperiode in het Verre Oosten

Een dramatische periode voor Bernard en zijn gezin was natuurlijk de tweede wereldoorlog die zij in het verre Indië hebben meegemaakt. Toen op 9 maart de Nederlands Indische regering voor de Japanners capituleerde werd hij als krijgsgevangen -Bernard had zich namelijk bij het uitbreken van de oorlog vrijwillig als reserveofficier bij het KNIL gemeld- op Madoera vastgezet en vervolgens afgevoerd naar het kamp Changi in Singapore.

In dit overbevolkte kamp bleek de handhaving van de orde een groot probleem. Daarom werd in december 1942 een commissie ingesteld die krijgstuchtelijke en strafrechtelijke maatregelen zou moeten nemen. Bernard maakte als deskundige deel uit van deze commissie. Hun advies leidde tot de instelling van een Straf –en Tuchtraad. Dat was natuurlijk ook bedoeld om erger, in de vorm van Japans optreden, te voorkomen. Dit z.g. “Changireglement” was volgens de toenmalige kampcommandant ook voor andere kampen toepasbaar.

Begin 1943 werd Bernard per schip naar Thailand vervoerd om daar te gaan meewerken aan de aanleg van de beruchte Burmaspoorweg. Daarbij werd hij verantwoordelijk gesteld voor de bouw van de aan- en afvoerroute naar de spoorlijn. Daartoe had hij zich als officier aangemeld. Gelukkig hoefde hij niet zelf zware lichamelijke arbeid te verrichten. Ook wist hij aan de malaria te ontkomen. In het kamp Non Pladuk II in Thailand werd hij op 22 september 1944 bevorderd tot Kapitein titulair Reserve 1ste luitenant en later tot majoor. Daarmee fungeerde hij de facto als kampcommandant  en moest hij in die hoedanigheid ook met de Japanners onderhandelen. Ten opzichte van zijn eigen mensen heeft hij zich ingezet door hen zoveel als kon goede dingen die in de natuur voorhanden waren te laten eten. Verder hield hij hun moreel hoog door ’s-avonds mensen met verhalen te onderhouden.

Als anekdote over die tijd gaat dat hij een Japanner op zijn rug over een rivier heeft moeten dragen. Bij het vertellen van die anekdote moest hij altijd hard lachen. De meeste kampverhalen van anderen heeft hij echter altijd als grootspraak afgedaan. Hij wenste verder over zijn internering niet te praten. Opmerkelijk was dat hij over de Japanners positief oordeelde en daar geen andere mening over duldde.

Op Java waren vrouw en kinderen al die tijd geïnterneerd in een van de Jappenkampen. Aanvankelijk waren ze in speciale wijken opgesloten. Daarna gingen ze naar een kamp te Solo en aan het eind van de oorlog kwamen ze in Ambarawa terecht. Just, die toen nog geen tien jaar was , kon gelukkig bij zijn moeder en zusje blijven. Anders had hij naar het mannenkamp gemoeten.

In totaal zijn rond de 96.000 Nederlandse (-Indische) burgers geïnterneerd geweest en daarvan hebben circa 13.000 de bevrijding niet mogen beleven. Itte zegt het te hebben volgehouden omdat ze tot een groepje vrouwen behoorde die elkaar op alle mogelijke manieren ondersteunde.
Het grootste probleem voor de vrouwen en kinderen was de honger. De oorlog had niet enkele weken langer meer moeten duren. Voor hen kwamen de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki dus net op tijd.

Na de oorlog breekt voor Nederlands Indië een moeilijke en verwarrende tijd aan. Reeds voor de oorlog was er een nationalistische beweging in Indonesië actief.

Bernard kwam daardoor in een moreel moeilijk parket. Mede vanwege zijn achtergrond had hij sympathie opbrengen voor het onafhankelijkheidsstreven in Indonesië. Nederland liep in haar reacties daarop achter bij andere koloniale mogendheden. De Verenigde Staten hadden haar voormalige kolonie de Phillippijnen al in 1916 onafhankelijkheid beloofd. De Nederlandse regering had hierop gereageerd met het uiten van haar ongerustheid. Dat zou tot onrust kunnen leiden in Indië.

Ook in Brits Indië was men een stuk verder met het tegemoet komen aan de nationalistische aspiraties daar. Daartegenover bestond in Brits Indië een vrijwel volledige segregatie. In Nederlands Indië was dit veel minder het geval en kwamen geregeld gemengde huwelijken voor. Dit zou te maken zou kunnen hebben met het relatief veel grotere aantal Nederlanders in ons Indië. Nederlands Indië telde rond 1930 ongeveer een kwart miljoen Europeanen op ongeveer 50 miljoen ”inlanders”

Na de Japanse capitulatie werd de toestand in Indië zeer precair. Er ontstond een gezagsvacuüm, want Nederland had nog niet opnieuw een militair apparaat beschikbaar. Java en Sumatra werden voorlopig door de Britten beschermd, die door gebrek aan mankracht zelfs Japanners inzetten voor de ordehandhaving. Intussen hadden de nationalisten op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uitgeroepen.


In oktober 1945 begon de beruchte Bersiap-tijd. Hierbij werden Nederlanders in de kampen door opgehitste jongeren aangevallen en soms op beestachtige wijze vermoord. Ook veel traditionele gezagsdragers moesten het ontgelden. In Soerabaja ontstond zelfs een complete veldslag tussen Britse troepen en de “pemoeda’s”. Hiermee was de Indonesische revolutie fundamenteel van karakter veranderd. De Republiek was uitgeroepen door oudere en gematigde nationalisten. Nu ging dit nationalisme over in een terreur tegen de Nederlanders en de aan hen getrouwe Indonesiërs.

Dank zij de aan de Japanners opgedragen interventie was de situatie op Sumatra tamelijk snel onder controle. In de Grote Oost, dat wil zeggen het hele gebied tussen Java en Nieuw Guinea, grepen de Australiërs, samen met de Japanners in, maar niet overal. Op Zuid Borneo en Zuid Celebes bleef de situatie precair. Celebes was in november 1945 nog lang niet in Nederlandse handen. Veel van de voormalige Nederlandse krijgsgevangenen zaten toen nog in Thailand. Mede omdat de Engelse, Australische en Amerikaanse krijgsgevangenen Thailand in oktober al verlaten hadden, was het moreel onder de Nederlanders slecht.

Bernard moest toen voor de tweede maal de ordeloosheid indammen. Na overleg met de luitenant-gouverneur generaal van Mook richtte hij een krijgsraad op voor de Nederlands militairen in Siam en fungeerde daarin als auditeur-militair.(aanklager)   

Bernard zat zodoende nog in Bangkok. Pas in december 1945 kwam hij naar Batavia.  Vrouw en kind bleven echter nog in Bangkok. In januari en februari was de familie voor het eerst sinds jaren weer samen. Dat waren twee gelukkige maanden. Maar daarna gaat Bernard weer naar Batavia. Hier komt hij bij het Hoofdparket te Batavia. Alles moet hier weer van de grond worden opgebouwd.

In deze periode heeft hij geprobeerd contact te krijgen met intellectuele en gematigde Indonesiërs onder de Republikeinen, hoewel dat in zijn functie natuurlijk moeilijk was. Hij hield, schreef hij, "niet zo erg van de mensen die nu in Indië rondloopen. De Inlanders zijn me eigenlijk sympathieker , maar daar hoor ik nu eenmaal niet bij". Hij constateerde ook bij zichzelf dat zijn gedachten hoe langer hoe meer naar links verschoven. Hij was blij dat PG Felderhof in zijn  sympathieën ook links was. Er was volgens Bernard ook niet veel anders mogelijk dan hard slaan of geheel toegeven. Hij geloofde dat 100% onafhankelijkheid de beste oplossing zou zijn. Hij klaagde herhaaldelijk over de mentaliteit van de Nederlanders in Indië. Hij doelde dan op die ambtenaren die, eenmaal met verlof in Nederland, daar solliciteerden naar een betrekking aldaar. Zijn plichtsgevoel weerhield hem om Indië te verlaten.

In maart 1946 wordt Mr. B.J.Lambers aangewezen als hoofd van het Openbaar Ministerie in de Groote Oost en West-Borneo met als standplaats Makassar, de grootste stad buiten Java. Hier was hij te beschouwen als de vertegenwoordiger van de Procureur Generaal. Hiertoe werd hij bevorderd tot “tijdelijk reserve Luitenant-Kolonel der Artillerie".

Op Celebes, dat deel uitmaakt van de Grote Oost, is weliswaar in naam van Nederlands gezag sprake, maar het is op dat moment het onveiligste deel van de archipel. De Nederlanders hebben eigenlijk alleen maar vaste voet in de steden. Buiten Makassar is het levensgevaarlijk om je zonder zware militaire begeleiding te verplaatsen.

Intussen was het merendeel van de KNIL-militairen in de Grote Oost terecht gekomen, omdat zij aanvankelijk door de Britten op Java niet werden toegelaten. Om allerlei redenen was hun moreel slecht. Waarschijnlijk heeft dit invloed gehad op het latere excessieve optreden van deze KNIL militairen op Celebes.

Bernard kwam daarbij tussen twee vuren te zitten. Eind maart 1946 is er een muiterij van KNIL militairen in Menado. Dat was uit protest tegen het verschil in salaris tussen Indonesiërs en Nederlanders. 45 van hen waren gearresteerd. Bernard ziet op tegen de reis naar Menado. Volgens Bernard wilde iedereen dat hij de leiders tegen de muur zou zetten. Maar daar voelde hij niets voor. Op 23 april schreef hij vanuit Makassar aan zijn vrouw in Siam: “Het is wel wat anders om te theoretiseren , dan wel in het gezag mee te doen”. En verder: “Wij loopen in een papperige blubber”  

Van een heel andere dimensie werd zijn probleem toen het verzet op Celebes begon te radicaliseren en zich aan terreur tegenover Indonesiërs die met de Nederlanders meewerkten begon schuldig te maken. Bernard mijmerde toen over een eventuele betrekking bij de rechterlijke macht in Holland en verzuchtte dat hij weliswaar geen rustig leven wilde, maar wel samen met zijn gezin zou willen zijn. Vrouw en kinderen zaten toen in Nederland. Maar als hij zou weg lopen zou hij ook zijn pensioen verspelen.

Tot 13 juli 1946 gold op Zuid-Celebes de Staat van Oorlog en Beleg (SOB). Hierbij hadden de militairen grotere bevoegdheden dan onder alleen de Staat van Oorlog. Zij konden in geval van een noodtoestand personen arresteren en 10 dagen in bewaring stellen. Ook kon het militaire gezag personen interneren of externeren (naar Boven Digoel op Nieuw Guinea bijvoorbeeld)  Op Celebes bestond echter de situatie dat het burgerlijk bestuur in de vorm van NICA (Netherlands Indies Civil Adminstration) gemilitariseerd was. De troepencommandant van de Grote Oost had op 17 januari 1946 dan ook geconcludeerd en verordonneerd dat de NICA verantwoordelijk was voor de ordehandhaving. Dat betekende dus een taak voor Bernard.

Tot dan gebeurde het vaak dat Indonesiërs zonder bewijsvoering geïnterneerd werden. Lambers maakte hiertegen bezwaar , omdat dit willekeur in de hand zou werken. Er moest toch enige controle worden uitgeoefend. Die liet volgens Bernard nogal te wensen over. Veel Indonesiërs werden geïnterneerd, louter op basis van het potentiële gevaar dat men hen toedacht.  Als vervolgingsambtenaar werd van Bernard verwacht dat hij als antwoord op de politieke aspiraties van de Indonesiërs de wetboeken van strafrecht zou hanteren. Maar de politieke aspiraties van het verzet werden steeds vaker met (semi) militaire middelen uitgevochten.

Ten aanzien van de internering stelde Lambers voor om alleen in bijzonder gevallen van “werkelijk militaire noodzaak zelfstandige internering door de Conica ( .   )toe te staan. De Conica was de gemilitariseerde resident van het Burgerlijk Bestuur) Hij veronderstelde daarbij dat als gevolg van de infiltratie van extremisten uit Java tijdelijke aanhoudingen vaker zouden voorkomen. Maar tegelijk waarschuwde hij er voor dat het gevaar bestond dat men met die aanhoudingen te ver zou gaan.

Op 23 mei schrijft Bernard zijn vrouw opnieuw. Hij oordeelde in zijn brief niet erg positief over de wijze waarop de Europese gemeenschap aankeek tegen de Indonesiërs. “Bijna iedereen zat weer in een zelfde soort affect als in de NSB-tijd. Weinigen denken nuchter en van buiten af". Het kwam volgens hem allemaal door angst en zorg. In 1946 vertrokken dan ook maar liefst 69.000 Nederlanders naar hun moederland en in 1947 nog eens 22.000. Tijdens de Bersiap periode waren ongeveer 3500 (Indische ) Nederlanders vermoord of verdwenen. Om een einde aan de dreiging te maken geloofde men dan ook dat gezagsherstel door middel van hard militair optreden de enige optie was.

Onder invloed van de oorlogssituatie op Celebes verandert de houding van Bernard. Zo schreef hij op 29 september aan zijn vrouw dat “het duidelijk was dat de hele zaak in Celebes scheef ging, als niet onmiddellijk aangepakt werd". Hij vervolgt: “Nu zie je het gekke beeld dat ik, de linksche, de doorslag aan het geven ben om alles op alles te zetten". Daarna geeft hij in zijn brief een opsomming van de wreedheden die de extremisten hadden begaan. In de noodtoestand die was ontstaan was in de ogen van Bernard de grens bereikt. Hij werkt dan zijn nota van 17 oktober 1946 uit.

Hij meldt hierin dat de gevangenissen overvol zitten en dat de meeste aangehouden Indonesiërs nimmer met succes berecht zouden kunnen worden. Hen weer op vrije voeten stellen zou niet verantwoord zijn, want dan zouden velen van hen zich bij het verzet aansluiten.
Daarom stelt hij een richtlijn op dat, wanneer de militaire autoriteiten aanhoudingen verrichten, zij de verdachten direct aan de civiele autoriteiten moeten overdragen, vergezeld van een rapport met bewijsstukken. Als succesvolle vervolging niet mogelijk was, maar vrijlating politiek ook niet wenselijk, kon tot internering worden overgegaan.

Verder wenste Lambers de toepassing van de zogenaamde exorbitante rechten.  Krachtens deze kon rechten kon de gouverneur-generaal onder meer inlanders de toegang tot delen van Nederlands-Indië ontzeggen of kon hij ze in het belang van de openbare orde naar een bepaalde plaats of streek verwijzen. Dit laatste voorstel werd echter niet overgenomen. Als uitvloeisel van het verdrag van Linggadjati werd besloten tot wederzijde vrijlating van politieke gevangenen.

Lambers kreeg hierbij een conflict met de luitenant gouverneur generaal P.J.AS. Idenburg over het gevangenenbezoek van Indonesiërs. Weliswaar werd dit conflict bijgelegd, maar het is waarschijnlijk de aanleiding geweest voor het verzoek van Bernard om uit ‘s-lands Dienst te worden ontslagen.

In die brief van 16 december formuleert hij dat “In de loop van mijn werkzaamheden als hoofdambtenaar bij het Openbaar Ministerie langzamerhand en kortelijk acuut naar voren gekomen, dat mijn politieke instelling ten opzichte van het huidig gebeuren in Indonesië, met name mijn opvatting, dat het Indonesische onafhankelijkheidsstreven als een rechtvaardige zaak is te beschouwen en mijn daarmee samenhangende sympathie voor dat streven, een belemmering uitmaakt voor de uitoefening van mijn werkzaamheden”.
Verder noemt hij als overwegingen dat hij nog steeds geen verlof heeft gekregen en dat hij zijn kinderen, op acht weken na in Siam, vanaf dat zij vijf en zeven jaar oud waren, niet meer gezien heeft en dat er inmiddels vier jaren waren voorbij gegaan.

Hij voert ook aan dat hij vanaf het begin niet heeft kunnen inzien wat nu eigenlijk de reële basis van de Malino-politiek was. (Deze hield het streven naar een federatief Indonesië in) Hij eindigt met “bovenstaande heeft toestanden ten gevolge gehad, welke voor mij reeds geruime tijd ook uit een oogpunt van rechtszekerheid principieel niet meer aanvaardbaar waren. Ik doel hiermede voornamelijk op massale onwettige aanhoudingen onder ontoelaatbare omstandigheden op Zuid-Celebes”.

In reactie hierop wordt Lambers in zijn zittende functie vervangen en zal de verwachte benoeming tot Officier van Justitie te Batavia niet door gaan. Maar de PG wil hem wel graag beschikbaar houden op het Hoofdparket.

Op 26 december schreef Bernard ook een brief aan Idenburg, directeur Algemeen Zaken. “Toezending van deze nota beoogt je aan te tonen, hoe ik de laatste jaren steeds tusschen twee vuren zit. Ik wil er nu werkelijk eens van af.”

Alvorens er een besluit valt wordt Lambers naar aanleiding van geruchten over het wrede optreden van het Depot Speciale Troepen onder leiding van kapitein Westerling naar Makassar gezonden. Over de hier gevolgde aanpak is veel te doen geweest. Tot in de Tweede Kamer van het moederland.

De situatie op Zuid-Celebes                                                                                                                                           Voor de Nederlanders was de situatie op Zuid-Celebes vanaf half november 1946 steeds hachelijker geworden. Zonder zware militaire begeleiding kon men zich niet meer buiten Makassar begeven. Naarmate harder werd opgetreden werd echter ook het verzet extremer. Ten slotte gaf de Nederlandse regering met de inzet van het Depot Speciale Troepen (DST) opdracht tot contraterreur. Hierbij maakte men gebruik van de diensten van de in Turkije geboren reserve eerste luitenant R.(Raymond) P.P. Westerling. In Sumatra had deze zich bezig gehouden met de bescherming en evacuatie van geïnterneerden uit Japanse kampen.

Westerling had nu een speciale methode ontwikkeld, die al gauw de methode Westerling werd genoemd. Deze bestond er uit dat hij alleen of met anderen ’s-nachts op zoek ging naar Indonesiërs die verantwoordelijk geacht werden voor terroristische acties. Als hij deze dan had opgespoord werden ze niet gevangen gemaakt, maar ter plekke geliquideerd.

Westerling was voor zijn acties uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de Territoriaal Troepen Commandant van de Grote Oost, kolonel de Vries. Het DST had de opdracht het verzet te breken en orde en rust te herstellen. Duidelijke richtlijnen waren er niet, zodat Westerling feitelijk een blanco volmacht had. In de loop van een viertal van deze acties werden toen tussen de driehonderd en vierhonderd mensen gedood.
Zijn drijfveer was hierbij, zoals zelf gezegd, “om de onschuldige bevolking te beschermen”. Westerling maakte daarbij onderscheid tussen de “serieuze nationalisten”, die men moest respecteren en de criminele elementen, die men met alle macht diende te bestrijden. Hij ontkende dat dit onderscheid in de praktijk moeilijk te maken was. Verder paste hij een psychologische aanpak toe door de in het openbaar uitgevoerde executies te combineren met begrip en clementie voor andere dorpelingen. Volgens hem schakelde hij hiermee de bevolking in bij het pacificatieproces. Dit verdiende de voorkeur boven een puur militair optreden, omdat dit laatste de bevolking eerder in de armen van de extremisten zou drijven.

Het was echter zeer twijfelachtig of zijn informatie over wie de verdachten waren wel betrouwbaar was. Het heeft er de schijn van dat bij de acties van grote willekeur sprake was. Niettemin rapporteerde kolonel Engels op 2 januari 1947 “dat het DST uitmuntend werk verrichtte”

Ook Bernard schreef in opdracht van de PG een rapport over de toestand op Zuid-Celebes.

De nota van 30 december 1946 van Bernard Lambers
Lambers heeft enkele gesprekken gevoerd met Westerling over de door hem gebezigde methode. Op basis daarvan schreef hij zijn nota. Het was volgens Lambers duidelijk dat “dit kwaad inderdaad niet met de gewone middelen was uit te roeien". Met de geldende bepalingen en aanwezige middelen was een behoorlijk onderzoek naar en berechting van door terroristen gepleegde gruweldaden uitgesloten.
Lambers beschrijft in zijn nota dan de gruwel hoe de zwangere vrouw van een beambte, die bleef samenwerken met het Nederlandse gezag, levend de buik werd opengesneden. Het kind werd uitgerukt en het hoofd daarvan afgehouwen. De moeder werd na verdere mishandeling stervend achter gelaten.

westerlingOver Westerling lezen we dan: “Deze officier, commandant van een kleine uitgelezen groep militairen van allerlei ras, met een bijzondere opleiding en sterk aan elkaar gebonden door discipline, kameraadschap en saamhorigheidsgevoel, is doordrongen van de noodzaak van bescherming van de bevolking tegen de ondraaglijke terreur.”

Westerling deed na zijn actie altijd plaatselijk een onderzoek om zich er van te vergewissen of door de fusillade ter plaatse de angstpsychose van de goedwillende bevolking doorbroken was. Door deze acties durfde en was de bevolking bereid om schuldigen aan te wijzen.
Opmerkelijk is dat Lambers geen twijfels scheen te hebben aan de betrouwbaarheid van de inlichtingen van getuigen. Opmerkelijk omdat hij in het verleden altijd geprotesteerd had tegen het ontbreken van een gedegen onderzoek en berechting bij strafrechtelijke vervolging of internering.

Maar hij was zich er wel van bewust dat Westerling een methode van rechtspraak uitoefende waartoe hij niet bevoegd was en die ook niet in de wet was terug te vinden. Hij was echter gewoon onder de indruk van Westerling en het resultaat dat die bereikte. Samen met de noodzaak die hij voelde dat er een einde aan de gruwelen moest komen maakte dat kennelijk dat hij de informatie die Westerling hem gaf niet verifieerde. Maar omdat hij zelf niet bij de acties aanwezig was geweest kon hij de informatie ook moeilijk valideren.

Lambers stelde in zijn nota ook dat onderzoek achteraf, d.w.z. na internering, geen zin had, omdat men dan weer in een vicieuze cirkel terecht zou komen. De bevolking zou dan uit angst voor gevolgen zwijgen, waardoor berechting niet mogelijk was. Standrechtelijke executies bleven zo de enige mogelijkheid.

Maar juridisch kleefde hieraan wel een bezwaar. “Niettemin is deze geheele werkwijze formeel niet anders dan moord, zij het ook dan een, die n.m.m. nl als enig overgebleven middel tot waarlijke bescherming van de bevolking – geheel verdedigbaar is".

De vraag rees daarmee hoe deze “formele moord” te legaliseren. Lambers stelde dat op grond van artikel 33 SOB een bijzondere krijgsraad kon worden ingesteld. De berechting zou hierbij minder van de persoon afhankelijk zijn en ook stond de optie van gevangenisstraf open. Lambers waarschuwde echter nadrukkelijk dat een uitbreiding van de methode Westerling zeer onverstandig was.

Toch werd het legalisatievoorstel van Lambers niet overgenomen.
Op 17 januari 1947 berichtte de OvJ te Makassar aan de PG dat hij, in overleg met de Troepencommandant, het KNIL de zelfde methoden had toegestaan als het DST.
Lambers schreef hier op 25 januari over dat deze overdracht van bevoegdheden niet kon worden toegestaan. Tot tweemaal drukte hij de PG op het hart dat deze moest "eischen” dat de Troepencommandant opdracht zou geven tot beperking van de noodrechtsbevoegdheid van Westerling.

Na enige aarzeling ging de PG hierin mee. Al spoedig bleek echter dat de PG zijn greep op de verdere ontwikkelingen had verloren. Er volgde een periode van excessief militair optreden. De “zuiveringen” hebben aan circa 2850 mensen het leven gekost. Samen met de acties van de kampongpolitie en Westerling komt men op 4470 doden. Daartegenover had het verzet ongeveer 1500 slachtoffers op haar geweten.

Ook in een brief van eind januari aan de PG probeert hij het optreden nog enigszins in de hand te houden. Hij benadrukt dat het aanwijzen van medeplichtigen door schuldigen op zich niet voldoende grond is om tot schuld van de aangewezenen te besluiten. Hiermee erkende hij impliciet dat het aanwijzen van schuldigen onder een “zekere pressie” geschiedde. Hij eindigt deze nota met de cri de coer :"Men toone dat recht wordt gedaan". En “Men vergete niet dat in het verdere leven onder andere omstandigheden dit werk een herinnering zal blijven. Men zorge dat deze herinnering met een goed geweten kan worden gedragen."

Daar zag het, gezien de in Nederland ontstane commotie, echter niet naar uit. Zelfs internationaal ontstond beroering. In ieder geval reageerde de Republiek op de ontstane openbare discussie. Het in april 1948 uitgekomen rapport van de commissie Enthoven ingesteld stelde dat de betreffende militaire acties op Zuid-Celebes in normale omstandigheden weliswaar onrechtmatig waren, maar in zeer speciale omstandigheden onvermijdelijk. Een onderzoek tegen een drietal KNIL officieren werd geseponeerd.

In 1954 kwam er evenwel opnieuw een commissie. Deze commissie van Rij-Stam concludeerde dat weliswaar sprake was geweest van een noodsituatie, maar dat de Nederlands -Indische autoriteiten als antwoord hier de weg van buitenwettelijke berechting en executie hadden begaan. Het was een onwettige gang van zaken geweest. Men was niet ingegaan op het voorstel van Lambers om op basis van art. 33 SOB militaire rechtspraak in te voeren. Lambers werd ook door een lid van deze commissie geïnterviewd. De implicatie van zijn antwoorden was dat ook de verantwoordelijke autoriteiten zouden moeten vervolgd.

De Historicus Ijzereef schreef n.a.v. de 30 december nota van Lambers dat het opvallend was dat deze onder invloed van de politieke ontwikkelingen, maar vooral door het toedoen van het DST, zijn visie wijzigde. Lambers zou zich gerealiseerd hebben dat er na Westerling geen weg terug meer was. Zijn eerder gehouden pleidooi voor een meer legale vorm van verzetsbestrijding door internering kwam niet meer ter sprake.

Omdat zijn aversie tegen de politieke rol die het Parket toebedeeld kreeg bij de onderdrukking van het Indonesische verzet bleef bestaan heeft Bernard half 1947 definitief ontslag genomen. Begin 1947 kreeg Bernard “wegens langdurige dienst” zes maanden verlof in Nederland. Tijdens dat verlof probeerde hij Minister Jonkman nog over de Zuid-Celebes –affaire te spreken.

Bernard was van mening dat Indonesië en Nederland een heel groot gezamenlijk belang deelden. Er waren nog heel veel Nederlanders die een belangrijke rol konden spelen bij de wederopbouw van Indonesië.
Een dag na de beëindiging van de Eerste politionele actie, die al tien dagen na haar begin door een oproep van de Veiligheidsraad gestaakt werd, vertrok Lambers weer naar Indonesië.

Op 2 Juli 1951 kreeg Bernard Jan de erkenning die hij verdiende. Hij werd benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau

ereteken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Andere bronnen
In de KITLV-inventaris  en wel onder stuk H973 betreffende de ”Collectie Bernard Jan Lambers” is meer documentatie over Bernard Jan te vinden. Wij noemen een paar.

I OFFICIER VAN JUSTITIE, 1931-1942.
1 Afschrift van een proces-verbaal opgemaakt door B.J. Lambers, officier van justitie bij de Raad van Justitie te Batavia, betreffende een zedenmisdrijf gepleegd op twee inheemse vrouwen door W.G. Lettinga, aspirant-commissaris van politie. 1931. Getypt. 3 stukken.

5 Rapport van B.J. Lambers, officier van justitie bij de landraden te Soerabaja, getiteld 'De interneering van Nederlanders in Ned.-Indië'; met aanbiedingsbrieven aan [A.S.] Block, procureur-generaal bij het Hooggerechtshof. 1941. Doorslag. 3 stukken.  

14 Uittreksel van een nota van B.J. Lambers aan de procureur-generaal, H.W. Felderhof, over de interneringsproblematiek in Zuid-Celebes. 1946. Doorslag. 1 stuk.

16 Nota van Lambers aan de procureur-generaal, H.W. Felderhof over de bestrijding van opstand en terreur in Zuid-Celebes, de rol van Westerling, de arrestatie van de bestuursleden van de KRIS-moeda (Kebaktian Rakjat Indonesia Soelawesi) en de beslaglegging op het KRIS-archief. 1946. Doorslag. 1 stuk.

18 Aantekeningen van B.J. Lambers naar aanleiding van de ontwerpen betreffende de vervolging van oorlogsmisdaden bestemd voor de procureur-generaal, H.W. Felderhof. 1946. Doorslag. 1 stuk.

20 Verslag van B.J. Lambers aan de procureur-generaal, H.W. Felderhof, over zijn bezoek aan Ambon. 1946. Doorslag. 1 stuk.

38 Indonesisch- en Nederlandstalige stukken betreffende de invloed en het optreden van de PNI (Partai Nasional Indonesia) in Zuid-Celebes, de Nederlandse militaire acties, het onderzoek door de politie en de Temporaire Krijgsraad aldaar. 1946-1947. Handgeschreven, getypt, doorslag. 37 stukken.

49 Verslaglegging van B.J. Lambers aan J.A. Jonkman, minister van Koloniën, over de militaire acties in Zuid-Celebes en de 'methode Westerling'; met bijlagen. 1947. Doorslag. 7 stukken.

Zie ook

Ds Lambers had avontuurlijke zoons