Een familievakantie in Zeeland

In 1984 vierden wij als gezin onze zomervakantie in Zeeland. Het onderstaande verslag is opgetekend vanuit de beleving van de vader, van mij zelf dus.

Zeeland 1984 fietsen

 

Het vertrek en de aankomst

Het was tijdens een van die treurniswekkende Hollandse zomers, die als enige relatie met de zon hebben dat beide met de zelfde twee letters van het alfabet beginnen, nl. de "z" en de "o".
De familie had een vakantie besproken in eigen land. Al in november van het voorafgaande jaar hadden ze dat gedaan. Tja, schoolgaande kinderen. Als je dat niet deed kon je op zijn  minst  een lichte ontzetting uit je omgeving verwachten: dat je het aandurfde je kinderen aan de sores van een niet geplande vakantie bloot te stellen. Tenminste als je meer wilde dan een week in een tent op het grasveld van een familielid met wat grond doorbrengen, moest je er op tijd bij zijn. Tenzij je bereid was om negenhonderd gulden per week te betalen voor een optrekje waar de sociale dienst nog niet eens tijdelijk vluchtelingen uit een arm land zou willen onderbrengen.
Zo zat de familie eind november al vast gebakken aan een volgens de bewoordingen van de VVV ter plekke van het vakantieoord, "Comfortabele bungalow op loopafstand van het strand".

Het strand, daar ging het om; daarvoor in de eerste plaats kwam de familie. Ga maar na, een kind van twaalf, een van negen en dan nog zo'n opgroeiende dreumes van twee. Alles was afgewogen en afgestreept: het Nederlandse strand bleef over. Maar dan moest er in de buurt wel iets te doen zijn voor als het zonnetje niet zou willen schijnen.

De bungalow was gehuurd voor de veertien middelste dagen van juli. Drie weken werd Pa te gortig. Tweeduizend gulden huur was wel genoeg Ten slotte had je dan iets wat minder comfort bood dan thuis. En na twee weken zou de familie wel uitgegraasd zijn op de omgeving.
Naarmate de 7e juli naderde nam de angstig afwachtend sfeer in huis in geladenheid toe. Want de voorafgaande zes weken had de zon zich noch aan volk noch aan vaderland vertoond. Pelleboer, onze eigen weergod uit Paterswolde, kon praten als Brugman en dat deed ie met verve, maar het hielp niet.

In die dagen kon het voorkomen dat als iemand tijdens een vergadering op kantoor naar buiten keek, hij plotseling lichtelijk buiten zichzelve raakte en de hele vergadering met zijn "Verrek de zon schijnt" uit haar ritme bracht.
Want dat was voor de rest voldoende om zich naar het raam te begeven, na de stennismaker eerst wantrouwig en gexebrgerd aangekeken te hebben. Maar als iedereen zich eenmaal vergewist had van de weersverandering ten goede, kon de voorzitter het verder wel vergeten. Iedereen was met zijn gedachten in de wolken, omdat eindelijk de zon scheen en de helft vroeg meteen een vrije middag aan. Het waren altijd de zelfden die zich door de weergoden in de luren lieten leggen. Waaronder ik zelf ook. Kon ik inderdaad na enig wenkbrauwengefrons van mijn baas die middag dan desnoods wel gemist worden. Reed ik enthousiast op fiets na de lunch naar huis en zag bij het naderen van mijn woonplaats tot mijn groeiende verbijstering het dorp Paterswolde overkoepeld door een zwaar wolkendek.

Pa en ma vertrouwden er evenwel op dat zij met de vakantie wel weer met het weer zouden zwijnen, zoals zij al vaker met het weer gezwijnd hadden.  En ja hoor, er werd voor het weekend van vertrek nota bene een klein hittegolfje voorspeld. En veel belangrijker dan die voorspelling, de lucht was al aardig opgeklaard. Het werd warm. Het was met het weer net als met dat legerhemd dat je vroeger in  militaire hemd bij de fourier mocht uitzoeken, te lang of te kort, andere maten hadden ze niet. Met het Hollandse weer was het te koud of te warm. En als het warm was, dan was het ook meteen klamwarm. Het kwam Pa bij het inpakken van de auto voor alsof hij voortdurend met een lauwe dweil vol afwaswater om zijn bek geslagen werd.

Hij had echter besloten lijdzaam te zijn en zich niet te snel te laten oplieren en zeker niet met deze weersomstandigheden. Het inpakken kostte gelukkig niet bijzonder veel moeite. De grote bagageruimte vrat alles zonder verzet. Er kon dus van alles mee dat later niet nodig bleek. Even dreigde het monteren van een kentekenplaat op een van buurman overgenomen fietsdrager roet in het eten te gooien. Een gevallen moertje leek, op straat terecht gekomen, ineens van zijn vrijheid te willen gaan genieten en de wijde wereld te zijn ingetrokken.  
Toch kon om halfelf de achterklep dicht en de fietsen aan de drager gesjord. De kinderen zaten al achterin stilletjes hun eerste Suskes en Wiskes te verslinden. Er zouden er nog vele volgen. De familie kon vertrekken.

En dan neem je plaats achter het stuur en ineens voel je iets. Verdomme, ik moet nog even weer naar binnen. De rest van de familie wist wel waarom. Dat was nou eenmaal vaste prik. Stommetje spelen met je darmen. Aanvankelijk geven ze aan dat alles met de eerste keer in orde is. Tot je de motor wilt starten. Ho even. Het behoorde tot de onhebbelijkheden van Pa: Niet weg kunnen komen. Misschien lag er wel een oerinstinct aan ten grondslag: Voor je je eigen territorium verlaat dit eerst nog even nadrukkelijk willen markeren door iets achter te laten. Bij vrouwen gaat het anders. Ma kon ook nooit wegkomen. Maar dat was om zich nog een en andermaal ervan te vergewissen dat het wc-raampje dicht was, het toilet doorgetrokken en het gas uit. Het vervelende was dat die oprisping van doorgeschoten nestzorg altijd kwam als we de straat al uit waren. De buren wisten het wel. Die bleven altijd nog even staan tot we weer terugkwamen. Soms leverde zox92n postinspectie nog wel eens wat op. Dit keer waren het de pyjamaatjes van de kinderen. Fijn toch.

Geen pech onderweg. Zelfs de route gaf geen problemen. Dat laatste was wel eens anders geweest. Pa had zich bij de terugkeer van eerdere vakanties meermalen voorgenomen zijn lidmaatschap van de ANW op te zeggen vanwege de manier waarop deze instelling, van oorsprong ook een wielrijdersbond, automobilisten door het land meende te moeten leiden. 
Het kwam er op neer dat ze je vaak lieten gissen welke afslag je moest nemen en de richting middels borden aangaven als je goed gegist had of als je je door je goede topografische kennis had laten leiden. Ergerlijk was het om na een vakantie zonder navigatieproblemen in het buitenland in de doolhof  van Nederlandse wegen terecht te komen. In Nederland waren ook veel te veel wegen, maar dat kwam ook omdat er veel te veel mensen waren.

Maar dit keer leek alles goed te gaan. Zo ook bij Rotterdam Zuidplein, waar Zierikzee al stond aangegeven. In zijn naïeviteit had Pa op de terugweg gedacht dat de aanduidingen er wel in omgekeerde volgorde zouden staan, zodat hij wachtte met afslaan en zo in het centrum van de stad terecht kwam.

Vijf uur na vertrek reden ze het plaatsje Westerschouwen in Zeeland binnen. Nu alleen nog even de Steenweg oprijden. Dacht Pa. Dat kon natuurlijk slechts een fluitje van een cent zijn, want wat was Westerschouwen nu helemaal? Een gat met vijf of zes straten en een daarvan zou de Steenweg zijn. De Steenweg bleek niet te bestaan. Tenminste, we kwamen niet op de Steenweg. Grapje: De Steen was weg. Na een kwartier langzaam rijden en spiedend zoeken twee dames van gerijpte leeftijd aangeklampt. Waar of de Steenweg was. "Nou, zij kwamen daar al 28 jaar in Westerschouwen, maar zij hadden nog nooit van de Steenweg gehoord." "Stik dan wijven" dacht Pa boos. Wie is er hier nou gek? Zou het dan misschien de Westenschouwenseweg zijn? Die bestond tenminste wel en veel meer was er immers niet. Toch maar even kijken. Smal straatje hoor. Schampte bijna een stom geparkeerd vierwielig krot. Nummer vier, ja. Maar dit stond achter een echt huis en leek een gerenoveerd groot kippenhok. Zou hij zich nou toch door die locale VVV erin hebben laten luizen?   Dat hoorde je wel meer, dat gasten in verblijven werden ondergebracht die voorheen bestemd waren voor een kakelende klont veren. Dus de weg terug opnieuw. En toen zag hij het ineens. Heel laagbijdegronds. Een steen. De steen van de Steenweg. De verhuurster stond er naast te wachten. Die had haar gasten al drie langs zien rijden en was maar naar buiten gegaan. Ja, de Steenweg was niet zo best aangegeven zei ze. De naam stond op de steen die half verscholen onder het onkruid langs de kant van de weg lag. Een hond had er met veel kunst en vliegwerk, zo klein was de steen,  iets van hemzelf  op gedeponeerd, zodat de naam nog meer schuil ging. Maar als je voor de steen ging liggen en een en ander opzij schoof kon je de naam wel lezen. 

Zeeland 1984 vakantiehuisHet huis was mooier dan de familie had durven hopen. De zon scheen en op het terras stond een comfortabel tuinstel met op de tafel een fles witte wijn ter verwelkoming. Dit liet zich goed aanzien.
Het strand was op amper 400 meter. Er was geen trottoir langs de weg. Het was niet aan te raden om langs de weg te lopen. In verband met de grote kans op uitglijers en dan over iets anders dan de Zeeuwsche klei. Er lag namelijk een camping langs de weg.  Aangezien veel mensen ook hun trouwe viervoeter mee op vakantie nemen werd de openbare weg als uitlaatplek gebruikt, of althans de berm. In die tijd bestond er in Zeeland nog niet zoiets als een hondentoilet. Maar oké , als toerist betaalde je ook geen toeristenbelasting en voor zichzelf vonden de Zeeuwen het kennelijk niet zo nodig, zo'n hondentoilet. Dat waren maar stadse fratsen.




Nou, dat was vorig jaar op het Duitse eiland Sylt wel anders. Daar betaalde je iedere keer opnieuw als je het strand op wilde. Maar daar kreeg je dan ook een spic en span schoon strand voor. Op het Zeeuwsche strand liep je echter voortdurend kans op een uitglijder. De kwallen langs de vloedlijn zag je nog wel. Die hadden vaak felle kleuren. Maar die andere dingen, die hadden meestal een schutkleur, zodat je ze vaak niet zag. Waarom een schutkleur? Een onbedoelde speling van de schepping?

De op het strand afgedaalde familie baande zich met enige moeite een weg door een menigte medemensen. Waarom kroop de meerderheid van de mensheid toch altijd als een kolonie steltlopers bij elkaar. Was het gewoon luiheid of was het de affiliatiebehoefte, de oerbehoefte om ergens bij te willen horen? Onze familie had die niet zo en was ook niet lui. Slechts 100 meter verder was je al van de drukte verlost en had je enige privacy. 


 


Toch hadden Pa en Moe niet goed genoeg opgelet en niet gezien dat een twintig meter verderop een handvol jongelui een portabel radio hadden en die ineens op discosterkte lieten schetteren. Toevallig schetterde net onze plaatsgenoot, weerhaan Pelleboer. Met zijn hese in staccato af en toe overslaande stem kwam hij boven het geluid van de branding uit. Hij verkondigde ons heuglijk nieuws: De zomer was in aantocht! 
Die weerprofeten zijn zo veranderlijk als een flipperkast bromde Pa binnensmonds. Want gisteren had de confrere van Pelleboer, die veel bedachtzamere Fries uit Gorredijk, toch wat anders voorspeld. Maar zijn voorspellingen waren doorgaans niet beter dan die van "de Pel". 
Pa had wel eens gehoord dat die Pelleboer ooit vanwege die voorspellingen eens met zijn vrouw in scheiding zou hebben gelegen. Zijn vrouw kon namelijk niet langer tegen de reacties uit hun omgeving als haar echtgenoot er weer eens met zijn voorspellingen naast geprikt had. Ieder keer weer een plastic zak achter de brievenbus hangen die voor sommige gedupeerde bewoners blijkbaar als een uitlaatklep voor hun frustraties diende was haar ineens te machtig geworden. Maar op de 14e juli 1984 zat de Pel goed met zijn voorspelling.

Het gezin verschoof met enige moeite zijn positie, zodat ze buiten de geluidsgolven van hun buren kwamen. Ze hadden echter nauwelijks hun bullen opnieuw uitgespreid of daar kwam een druipend monster uit het water op hen toerennen. Vergiste zich zeker in zijn baas. Die honden van tegenwoordig  zijn zo gedegenereerd als wat. Pa en Ma zagen het gevaar op zich afkomen en plantten hun handen achter zich in het zand om vervolgens met de benen  het monster af te weren. Gelukkig begreep de stumper op het laatste moment niet welkom te zijn en droop hij af. Maar het kwaad was al geschied. De kleine was al gierend van de schrik achter vaders rug gekropen. Hond stout. Die uitspraak werd nog vaak herhaald.

Zeeland 1984 Rob en SanZeeland 1984 San























Pa dacht met niet ingehouden ergernis aan dat bord dat hij aan de ingang van het strand had zien staan en waarop stond dat honden moesten worden aangelijnd. Je mocht toch zeker aannemen dat de nijvere ambtenaren, die over de strandborden gingen en die dat bord geplaatst hadden,  dat toch bij alle strandafdalingen gedaan hadden? En mocht hij er misschien niet van uitgaan dat Nederlandse hondeneigenaren geen analfabeten waren? Nee toch. En als de hondeneigenaar al blind zou zijn, dan had hij toch een  blindengeleidehond en die is sowieso aangelijnd. Nee, hier was duidelijk iets anders aan de hand.


Vorig jaar, op Sylt, hadden ook van die borden gestaan. Daar waren op sommige strandgedeelten zelfs helemaal geen honden toegestaan. En daar zag je dan ook geen hond.  
Toch was er geen reden om aan te nemen dat Duitse hondeneigenaren zoveel beter hun eigen taal zouden beheersen dan Nederlandse hondeneigenaren. Maar Pa wist het wel. Het was het verschil in cultuur tussen de Duitse en Nederlandse volksaard, waar we hier tegenaan liepen. Een bevel was en is in Duitsland nog altijd een bevel. Verder was het zo dat als je in Duitsland niet beter weet je het beste kan aannemen dat alles verboden is. In Engeland is het net andersom: In principe is alles toegestaan, tenzij het verboden is. Nederland dat precies tussen deze twee grote buren in ligt heeft van allebei iets overgenomen. In Nederland is alles toegestaan, zelfs als het is verboden. Dat komt nog van onze strijd tegen de Spanjaarden.



Om zijn ergernis over zijn landgenoten af te reageren begon Pa met een verwaaid stokje van een zeeden in het rulle zand te pielen. Wat moet je ook anders op zo'n Zeeuwsch strand. Veel vrouwelijk schoon was er niet te bewonderen, vrouwlief was met een damesblad bezig  en de kinderen waren even weg. Hij zag ze wel. Hij zag ze tegelijk met al die mensen die op tjak waren  en langs de vloedlijn liepen. In een soort ganzenmars, allemaal langs die vloedlijn. Waar gingen ze eigenlijk heen vroeg hij zich af.  Sommigen hadden niets bij zich, anderen een klein knapzakje. Waarom precies langs de vloedlijn? Waarom leken ze zo onweerstaanbaar door die vloedlijn aangetrokken? Dat was de vraag die hij zich stelde. Je liep elkaar dan immers gauw in de weg. Leefde bij al die wandelaars in het diepe onderbewustzijn misschien de kennis dat daar ooit het Grote Begin had plaatsgehad? Op de scheiding van water en land ? Daar zou ooit het leven op aarde begonnen zijn. Eerst in de onnozele vorm van eencelligen. Maar zo onnozel toch niet dat de mens, die met al zijn vermeende vernuft dacht de hele planeet aan zich te kunnen onderwerpen,  nog niet een zo'n eencellige had kunnen namaken. Dat bleef nog altijd overeind staan tussen de mens en dat  "Grote Begin" en de krachten die dat in beweging hadden gezet. Misschien was dat het wat die wandelaars onwillekeurig in die vloedlijn aantrok.

Maar het kon natuurlijk ook zijn dat die mensen daar alleen maar liepen omdat het zand daar het beste te belopen was en omdat er daar geen mensen in hun pad lagen. Het leven was wel vaker platvloerser dan grote geesten graag willen doen geloven.

Maar Pa wou niet aan het platvloerse. Hij bleef de strandlopers gadeslaan. Wat waren er een soorten. Groot, klein, dun, lekker , lelijk, meer en minder gekleed en ga zo maar door. Ook in hun loopgedrag verschilden ze allemaal.  Wat dat betreft lijken apen veel meer op elkaar dan mensen. Maar dat vinden apen waarschijnlijk ook van mensen. 
Er liepen natuurlijk ook vrouwen bij. Pa schatte ze op ongeveer de helft van het totaal. Een deel van hen liep zonder bovenkleding. Waarom deden ze dat eigenlijk vroeg hij zich af. Was dat alleen omdat het tegenwoordig niet meer verboden was? Maar dat is in Nederland geen reden was al gebleken. Nederlanders doen toch bijna alles wat God en vaderland verboden hebben. Maar wat de reden ook zou mogen zijn, hij vond dat er met deze nieuwe mode veel voor de mensheid verloren was gegaan. Een van de belangrijkste behoeften van de mens was volgens hem de behoefte om de fantasie ergens mee te voeden. Maar als je de meeste vrouwen zo bezag dan was die fantasie meteen weg en viel dde werkelijkheid bijna altijd ernstig tegen. zon.

Zijn kleine meid haalde hem uit zijn diepzinnige overdenkingen. Ze brabbelde iets wat hij niet begreep. Driftig herhaalde ze het. En nog eens. Sommige vrouwen gaan er hun leven lang mee door, alsmaar de zelfde boodschap herhalen, als ze geen begrip ontmoeten.  Hij trok al zijn cerebrale registers open om te kunnen bedenken wat ze met haar gebrabbel wilde aangeven. Want één ding was volstrekt helder. Er niet op ingaan was geen optie. Water halen in emmertje probeerde hij. En hij ging het ook direct maar halen. Hij liep met het emmertje naar de vloedlijn en ving uit een uitlopende golf een gulp water op met een paar meegekomen schelpen. Zo daar zou ze wel mee zoet zijn. 

Hij wilde net weer die de draad van zijn verrukkelijke gemijmer opvatten toen zijn zoon met zijn paratrooper in de hand naar hem toekwam. De parachutetouwtjes zaten in een gordiaanse knoop om de vlieger verwikkeld. Het was nog erger dan hij thuis al eens met de hengel van deze baas beleefd had. Het was tien keer erger dan de telefoonhoorndraad van de PTT. Vissnoer was de laatste tijd al eens in zijn dromen voorgekomen. Hij herinnerde zich meteen met enig afgrijzen het voorval van vorig jaar op het strand van Sylt.

Zeeland 1984 Rob op zijn fortOok toen had Pa zijn zoon met een mooie inheemse vlieger verguld. Maar ook toen was het al gauw op een geklooi van jewelste uitgedraaid. Een nabijgelegen Duitser had het gepiel toen een tijdje gadegeslagen en kon het gepruts na een tijdje blijkbaar niet langer aanzien. Hij was opgestaan en naar ons toegelopen en had ons beleefd zijn diensten aangeboden. Hij had ervaring met vliegers en had verder toch niets nuttigs te doen. Pa zag geen reden deze genereus aangeboden hulp af te slaan. De Duitser ging voortvarend te werk met het proberen de knopen te ontwarren. Pa hielp zo goed en kwaad mogelijk als het ging. Maar zo na een kwartiertje zag Pa nog weinig wat op een spoedige ontknoping kon duiden.






Zeeland 1984 Rob en SanOnze vriendelijke Duitser wist echter niet van ophouden. Misschien was het zijn persoonlijke versie van de Widergutmachung. Hij had wel door dat wij Nederlanders waren. Het werd een ware beleefdheidswedstrijd. Pa wilde er graag van af; desnoods kocht hij wel een nieuwe vlieger. Maar hij wilde de Duitser ook niet het gevoel geven dat deze faalde en omgekeerd wilde de helper zijn aangeboden klus natuurlijk tot een goed einde brengen. Er was ook nog zoiets als eergevoel. En zo bleven ze elkaar vriendelijk aankijkend bezig met hun mission impossible. Het klamme zweet brak Pa uit. Hoe lang zou dit nog gaan duren? Wie zou uiteindelijk de knoop doorhakken?  Toch kwam er ineens een happy end. Zoonlief was toen al lang niet meer een geïnteresseerde toeschouwer. Maar wel moest die zelfde vermaledijde vlieger de volgende ochtend weer mee.

 



Op zeker ogenblik gingen Ma en de dochters even aan de kuier, Pa en zoon achterlatend op hun plek. Op Sylt vorig jaar mocht je geen kuilen graven, vandaar dat zoveel Duitsers naar de Nederlandse stranden komen. Pa had natuurlijk niet permanent zijn ogen strak op zijn zoon gericht, die weer met zijn vlieger bezig was. Toen hij echter weer rondblikte naar zijn zoon verscheen die niet in zijn blikveld. Hij ging staan en tuurde de omgeving af. Niets. Pas na lang ingespannen vorsen zag hij in de verte een stip in het zand die hij niet kon thuisbrengen. Hij liep er op af en langzaam nam de stip de gedaante van zijn zoon aan. Hij lag of zat in het zand en had kennelijk een probleem. Op nog grote afstand kon hij hem namelijk al horen. Het voortgebrachte geluid bestond uit huilend vloeken of vloekend huilen was onmiskenbaar dat van zijn zoon. Het vloeken ging hem goed af, beter dan het vliegeren blijkbaar, want de vlieger vloog niet. Toen zag hij de vlieger. Hij lag in de duinen. 

Nergens op Sylt mocht je de duinen beklimmen. Das war zum strengsten verboten. De borden lieten daarover geen enkele misverstand bestaan. De Duitsers waren dan ook vreselijk zuinig op dat eiland. Nog zuiniger als op hun kuilen aan het Nederlandse strand.  
Er waren al enkele mensen stil blijven staan  bij het tierende jonk. Daarop maakte zich een dilemma van pa meester. Hij verkeerde nu immers in de weinig benijdenswaardige positie de vader van dit jonk te zijn, dat absoluut niet aanspreekbaar bleek te zijn  en maar bleef doortieren. Gelukkig niet in het Duits, maar de toeschouwers konden er wel uit opmaken dat de vader wel geen trouwe kerkganger zou zijn. Want van wie had zo'n jonk dat anders?  Wat moest Pa doen? Zijn zoon aan de oren wegslepen, wat het publiek vermoedelijk het meest zou aanspreken want kalmerende taal was niet aan het tierende manneke besteed?  Of zou hij de oorzaak van de frustratie van het kind moeten wegnemen door de vlieger uit verboden gebied terug te halen? Daarmee zou hij zich zowel als slapjanus als wetsovertreder afficheren. Hij besloot tot het laatste. Maar op het zelfde moment besloot hij ook om nooit meer een vlieger te kopen, voor niemand.

Zeeland 1984 Ina en San

Zeeland 1984, Car,Rob en San









Potje met pieren 
Die dag liet de zon zich wederom niet zien. Misschien  dat zij de ellende op aarde niet kon aanzien. Maar waarom scheen zij bijna overal elders in Europa wel? Was daar de ellende der mensen dan zo veel minder? Eerder integendeel toch zeker? De Nederlanders hadden toch in ieder geval genoeg centen om in Zeeland op vakantie te gaan. Bij duizenden liepen of zaten ze dus op de zon te wachten. 


Het gezin poogde toch nog iets van de dag te maken. Een kort gezinsberaad boven de ontbijtkrummels leverde op dat Pa met de twee oudsten op zou trekken naar het in de VVV-folder hoogbejubelde "Subtropisch zwemparadijs". Jammer voor Ma, maar de kleinste zou toch maar niet mee. Pa zag dat niet zo zitten. Hij bleek over een profetische blik te beschikken.
Ze gingen in de auto, want het was wel 40 kilometer ver. Je moest wat voor je subtropische zwemgenot over hebben. Naar de Spaanse costa's zou wel 1500 km verder geweest zijn. 

Het was geen onaardig ritje. Ze kwamen over de mooie Zeelandbrug. Pa had gedacht dat dit een tolbrug was. Maar dat was niet zo. Een geluk bij een ongeluk dacht hij. Want hij had het eigenlijk niet zo begrepen op die uitspattingen te water, die hen te wachten stonden. Hij liet zich eigenlijk liever vollopen met bier dan met chloorwater, dat hij altijd ongewild binnenkreeg. En tegenover de kinderen dappere dingen in het water doen, dat ging bij hem ook niet altijd van een leiden dakje. 


Het was allemaal echter nog veel erger dan waar hij voor gevreesd had. Overigens moest hij toch tol betalen. Die werd namelijk aan het einde van de brug geheven, dus op het moment dat het al begrotelijk werd om nog rechtsomkeert te maken. Echt een Zeeuwenstreek dacht hij. Je er letterlijk in laten lopen en dan beuren. Maar die Dirk de Eerste , die in negenhonderdzoveel aan de Merwede die vermaledijde tol had uitgevonden, dat was toch een Hollander? Dat was helemaal roverij geweest, want tegenover die tol stond geen enkele tegenprestatie. Gewoon vangen en anders kon de schipper rechtsomkeert maken. Als de adel dat toen al deed, kon je twaalfhonderd jaar later die jongens die in Amsterdam zeiden op je auto gepast te hebben en daar geld voor vroegen toch moeilijk iets kwalijk nemen, dacht Pa somber.

Na een tijdje rijden kwam het subtropisch zwemparadijs in zicht. Aan de buitenkant leek het in niets op een paradijs. Het leek eigenlijk meer een vliegtuighangar of een veilinghal. Het paradijselijke zou zich  dus aan de binnenkant moeten openbaren. 
Op de parkeerplaats stond het niet eens helemaal vol. Dat viel mee dacht Pa. 
In ieder geval beter dan in het verhaal van zijn buurman Gerard Brinkman, die een keer met zijn gezin helemaal vanuit Eelde naar de Efteling in Etten Leur gereden was. Een afstand van toch zeker 250 km. Toen Pa Brinkman daar aan het einde van de ochtend was aangekomen had de parkeerplaats helemaal vol gestaan en had zich al een rij wachtenden van daar tot Tokio gevormd. Pa B die nogal kort aangebonden was, was toen ijskoud aan de andere kant het parkeerterrein weer afgereden, zo weer naar Eelde terug, de rest van zijn gezin in volledige verbijstering meevoerend.

Dat zou deze vader niet doen.  Hij had er al rekening mee gehouden dat hij vandaag wel niet de enige zou zijn die zijn kinderen een alternatief wilde bieden voor wat een fijne stranddag had moeten worden.  Het verwonderde hem dus ook niet dat er een behoorlijk lange rij voor de kassa stond, maar het was geen rij tot Tokio. De kaartjes kostten f 14,80 per volwassene en f 6,80 per kind. In koopkrachttermen voor 1984 fikse bedragen.   
De rij schoof slechts langzaam schoksgewijze op. Soms stagneerde hij wat langer; als iemand problemen met de caissixe8re leek te hebben. Voordat je je de verkleedhokjes in mocht moest je je eerst financieel uitkleden. Intussen kwam er een verrekt vervelende tocht uit het gebouw, die eerder van de Noordpool leek te komen dan van de subtropen.
Eindelijk kon Pa zijn geld kwijt en kon hij en zijn aanhang zich verspreiden over de kleedhokjes. De kleren kon je in boxen afsluiten. Het loodje van die boxen werd je geacht om je pols te doen. En toen dus naar de zwemhal, het paradijs in.
Toen de toegangsdeur geopend werd leek het Pa wel  of hij een klap in zijn gezicht kreeg. Het gekrijs striemde hem om zijn oren. Hij keek waar het precies vandaan kwam en of dat dan misschien het bad was, maar hij zag helemaal geen water, alleen een krioelende massa door elkaar kronkelend wit vlees van lijven, honderden lijven. 

Het heette een golfslagbad. Pa vond het meer een veldslagbad, want je had de grootste moeite om een staanplaatsje in het water te bemachtigen en als je er een keer genoeg van had en dat was al heel gauw was het gewoon een krachtsinspanning om je door de lijven heen naar de kant te wurmen. Zo kon je in het godvruchtige Zeeuwsche land echt over het water open en wel via de koppen en de lijven.  
Successievelijk gaf het paradijs zijn geheimen prijs. Zo bleken de golven slechts periodiek op te wellen. De golven kregen echter nauwelijks een kans. Nog voor ze omkrulden waren zij al gesmoord door de deinende massa van halfnaakten, die zich aan elkaar vastklampten of anders vanzelf wel tegen elkaar geplet werden. Kassa dacht Pa.

Natuurlijk was er een glijbaan. Dat moest hij maar eens met zoonlief proberen. Er stonden tachtig wachtenden voor de trap. Hij dacht met weemoed aan de tijden van 008, als je toen tien wachtenden voor je had was het heel erg druk. Om de wachttijd niet helemaal in ledigheid door te brengen, een conversatie met zoonlief was vanwege de vele decibellen die op hem inhakten, niet mogelijk, probeerde hij het aantal minuten in te schatten die ze nog tot de top der glijbaan te gaan hadden. Eindelijk waren ze dan boven. Veiligheidshalve liet Pa zoonlief voor hem plaatsnemen om te voorkomen dat deze bij de landing direct iemand op zijn nek zou krijgen. Zijn ouderlijke verantwoordelijkheid dwong hem om die klap voor zijn zoon op te vangen. Die klap kwam ook en toch nog harder dan hij verwacht had. Goed dat hij zoon voor had laten gaan.

Maar bij die ene keer moest het dan ook maar blijven. Trouwens, voor je weer helemaal boven was. Nu dus maar naar de waterval. Dat leek hem wat rustiger. Maar veel sensatie kon hij er niet door ervaren. Het was alsof iemand vanaf een muurtje een emmer water over je heen gooide.  Pa had het wel gehad met de waterval en ging maar eens op zoek naar een comfortabele ligstoel. Die was er niet. Tenminste niet beschikbaar voor hem. Want er lag een handdoek of een ander persoonlijk attribuut. Zoiets betekende dat de eigenaar er eerder was dan jij en dat deze veronderstelde dat die stoel de rest van de dag voor hem beschikbaar bleef. Het negeren van zo'n handdoek zou tot de grootste mogelijke bonje kunnen leiden, en daar had Pa gewoon even geen zin in. Dat paste niet in het paradijs. Eindelijk trof hij na drie rondjes drentelen en spiedend kijken een lege stoel en daar zat hij. Het herinnerde hem aan het boodschappen doen op zaterdagmiddag, waarbij je altijd maar moest zien waar je je auto kwijt kon raken.

Hij had dit echter nog niet bedacht of iets trof zijn reukorgaan. Gadverdamme, wat was dat voor een smerige baklucht? Hij keek eens achter zich en stelde vast dat hij precies achter de counter van de snackbar zat, die met zwembar werd aangeduid. Een bar is echter een gelegenheid waar je iets kunt drinken. Maar hier gingen uitsluitend frites en kroketten over de counter. De baklucht van te veel gebruikt vet trok over hem heen en vermengde zich, bij het water aangekomen, met de lichaamsgeuren van de honderden lijven. De zware lucht legde bijkans een vlies op het water. Pa vroeg zich of dit subtropischs zwemparadijs nog iets te bieden had dat hem wel kon bekoren en hij sloeg het publiek eens aandachtig gade. Maar tussen de vele kinderen en de daarbij wat hulpeloos overkomende vaders zag hij niets wat zijn zinnen kon strelen. Trouwens als je al zoiets gewaar werd dan was het hoogstens voor een paar seconden, want het werd bijna ogenblikkelijk weer aan het oog onttrokken door kroelend kroost.

Misschien dat het bubbelbad of de whirlpool met jetstream, of hoe het ook heten mocht, nog wat te bieden had. Hij had zich wel eens verstout de sexpagina's van een bekend landelijk ochtendblad verstolen in te zien en dat eindigde wel eens met de wensdroom om zich ooit een keer aan de gesuggereerde genietingen in zo'n bubbelbad over te geven. Welnu, hier had hij misschien de kans. Maar veel vertrouwen dat hij hier in een vrolijke poel van ontucht terecht zou komen had hij niet. De illusie spatte al gauw als een zeepbel uit elkaar toen hij de bezetting van het bubbelbad gewaar werd. Kinderen natuurlijk en enkele vrouwen van een leeftijd en postuur die men nogal eens pleegt aan te duiden met "tuinkrokodillen". En als je er in ging was aan lichaamscontact niet te ontkomen. Haringen in een ton hadden meer lebensraum dan de uitverkoren schepselen Gods in dit bubbelbad. Hij was toch niet gek om in deze poel van vertwijfeling plaats te nemen en dan een tijdje wezenloos naar het pafond te gaan zitten kijken, intussen je zo dun mogelijk makend om het contact met je medemens tot een minimum te beperken.

Nou, dat hele subtropische zwemparadijs kon hem gestolen worden en wel hoe eerder hoe liever. Gelukkig viel het zijn kinderen blijkbaar ook wat tegen, want toen hij na twee uur, hij had het toen, vond hij, als stervenslang uitgehouden, voorzichtig informeerde of ze ook naar huis wilden, ontmoette dat geen verzet. Zodoende kwamen zij aan het kunstgras onder de hoogtezon niet meer toe.
Op de terugweg nam Pa zich heilig voor dat hij de belevenis van een subtropisch zwemparadijs voor de rest van zijn leven aan zich voorbij zou laten gaan. Dat was eens en nooit weer.

Nee, dan was een leukere happening de viering van de verjaardag van de mama van zijn kinderen in dat mooie vakantiehuis in Zeeland.

Zeeland 1984 verjaardag Ina

Einde