Ina


Het leven van de vrouw van mijn leven


 

geboren 18 juli 1943

overleden 29 september 2000
















Geboren op 18 juli 1943 als dochter van Swier Achterop en Griet Strabbing


Wie was haar vader?
Vader Swier was de zoon van Derek Achterop en had in de Rolderstraat een brood –en banketbakkerij. Deze had hij overgenomen van zijn vader, die, volgens een artikel in het Asser Historisch Tijdschrift van juni 1999, ongeveer honderd jaar daarvoor uit het Groningse Meeden naar Assen gekomen was.

Bakkerij Achterop

 

Na flink wat omzwervingen in de stad Assen, hij zou ook tijdelijk een tabakshandel hebben gedreven, kocht hij een stuk grond op de hoek van de Bonkengang (later de Stationsdwarsstraat en nog later de Prins Hendrikstraat) en van de Rolderstraat. Op deze plaats liet hij door zijn zwager, aannemer Oebele Numan, een winkel annex woonhuis bouwen. Fier boven aan het pand kwam de naam: “Achterop’s Modelbakkerij”. In 1934 werd de zaak overgenomen door zijn zoon Swier Achterop.

Bakkerij Achterop

 

 

 

 

 

 

 


 twee aangezichten van het geboortehuis van Ina.

 

 

 

De bakkerskarren van Bakkerij Achterop zag je door de hele stad. Zo herinner ik mij dat ze regelmatig tijdens de pauze langs de HBS kwamen waar ik toen op school ging. Wellicht heb ik wel eens een krentenbol van een van hun bezorgers gekocht, niet bevroedend dat ik later mijn leven zou delen met de dochter van die bakker Achterop.

 

grootouders Achterop

 

Grootvader Derk Achterop was op 9 dec 1876 te Annerveenschekanaal geboren als zoon van Swier Achterop, van beroep bakker, en Luichie Kranenburg.
Het is wel toevallig dat onze grootvaders van vaders zijde beide in Annerveenschekanaal geboren zijn. Ze hebben waarschijnlijk dus op de zelfde school gezeten; alleen mijn grootvader acht jaar later. Het is weer eens een blijk van hoe klein de gemeenschap in het Noorden van ons land ons land is en helemaal in Drenthe.

Later zijn ze in het huis aan de Witterstraat, tegenover de Witter Brug, gaan wonen. Het was een markant huis, Silvana geheten. Sien en Marten hebben na hun trouwen een heel aantal jaren bij hen ingewoond. Dat was toen nog heel gewoon.

grootvader Derk Achterop en grootmoeder Arendina van Son bij hun huis Silvana



De vader van Derk, dus Ina's overgrootvader, was weer een Swier Achterop, geboren op 3 maart 1839 in Sappemeer en overleden 4 september 1908 in Wildervank, op 69 jarige leeftijd. Ook hij was  bakker. Op zijn beurt was hij weer de zoon van een Swier Achterop, geboren 11 augustus 1805 onder de naam Geert S.

Overgrootvader Swier trouwde met Luichie Kranenborg, geboren in 1841, en dochter van een scheepskapitein in Martenshoek,  bij wie hij 11 kinderen kreeg.
Bron:  http://genealogy.henny-savenije.pe.kr/tng/getperson.php?personID=I230276&;tree=savenije

 



Grootvader Derk is overleden op 17 juli 1954 en dus 77 jaar geworden. Ouder dus dan zijn zoon Swier en ook dan zijn eigen vader Swier, die 69 werd. Op 6 mei 1903 trouwde hij met met Arendina van Son,  geb te Smilde, oud 27 jaar en dochter van Elbertus van Son en Gesiena Tik. Van deze grootouders van Ina hebben we de foto’s. Derk en Arendina Achterop kregen drie kinderen: Swier , Elbertus (Bertus) en Gesiena (Sien).

 

Wie was haar moeder?
Grootouders Strabbing

Griet was enig kind van Johannes Strabbing. Deze trouwde met Gesiena Boer, geboren te Smilde.
Er zou ook nog een trouwakte zijn van 24 juni 1904 waaruit zou blijken dat hij in Zweelo met een Thijssina Boer getrouwd was. Vraag blijft of dit dezelfde persoon is als Geziena Boer.Vermoedelijk wel, want voornamen veranderden nog wel eens.

Johannes was werkzaam op de stoomhoutzagerij aan de Vaart Noordzijde, of het  “Houtstek” zoals het in de volksmond genoemd werd.

Als schooljongen kwam ik dagelijks langs dat houtstek, want wij woonden toen aan de Vaart NZ.  Ik herinner mij dat ik een paar keer de machinekamer heb mogen bekijken, waar een meneer Bakker werkte. Deze woonde met zijn vrouw in een piepklein huisje vlak naast het houtstek. Daar kwamen we als we van school kwamen altijd langs. Zodoende kenden we die mensen, zoals we trouwens alle mensen vanaf de plek waar de betere huizen stonden, iets meer naar onze klant, kenden.

Die meneer Bakker was daar de machinist en stoker. In de machinehal stond een reusachtige stoommachine, die minstens zoveel indruk maakte als de stoomlocomotieven van die dagen. Het was er natuurlijk warm en het rook er lekker naar smeerolie. Op de zaagafdeling ben ik nooit geweest.Dat zal wel te gevaarlijk geweest zijn.

 



Toch heb ik misschien Ina’s Opa wel eens bezig gezien. Wij woonden namelijk tussen het houtstek en de opslagkolk van de zagerij. Die was naast de kazerne gelegen en lag achter een duiker onder de weg naar Smilde. Daar was het Balkenkolkje, zoals wij dat noemden. Daar werden de aangekochte stammen een paar jaar in het water bewaard. Dat was nodig om te voorkomen dat het hout bij en na het zagen ging werken. Eens in de zoveel tijd moesten er stammen van deze opslagkolk naar de zagerij gebracht worden. Omdat het maar om een kort stuk ging gebeurde dat handmatig. De stammen werden een voor een door de duiker gedreven en in de vaart aan elkaar vastgebonden, zodat een vlot ontstond. Daarop stond een man die met een boom het vlot voortbewoog  naar de andere kant van de vaart. Die man had speciaal schoeisel aan met spijkers om uitglijden te voorkomen. Want die stammen waren natuurlijk spekglad.
Aan de kant wachtte een andere man het vlot met een pikhaak op en beiden trokken en duwden ze het gevaarte  naar het kolkje bij de steiger van de zagerij. Voor een jongen van 8-10 jaar natuurlijk heel iets bijzonders om naar te kijken. Zoveel gebeurde er in Assen verder niet.

Omdat deze activiteiten geen dagelijks werk waren is het heel goed mogelijk dat Opa Strabbing hierbij geassisteerd zal hebben.  Toen ik acht was, in 1950 dus, kreeg Opa Strabbing een koninklijke onderscheiding, ondertekend door koningin Juliana. Toen was hij echter al gepensioneerd, want hij was van 1876. Misschien is hij dus wel langer doorgegaan dan zijn  65e en heb ik hem inderdaad bezig gezien.

Bij de verdere uitleg van Assen is het balkenkolkje gedempt. Daar herinnert nu nog de Balkenweg aan.
Van de stoomhoutzagerij is verder niets bewaard gebleven. De familie Westra ten Holthe, de vroegere eigenaren, hebben althans niets, zo is bij navraag gebleken. De laatste directeur J.H.Westra ten Holthe, is gepensioneerd.  Het archief van de gemeente Assen was indertijd niet geïnteresseerd in hun zaken.

 

De verdere familie
Ina’s vader had een broer en een zus. De zus was tante Sien. Zij is lang ongetrouwd gebleven, totdat zij Marten Tuinbeek ontmoette.
Daarnaast had Swier een broer, oom Bertus. Deze is zo lang ik hem ken  hoofd van de interne dienst bij de provincie Drenthe geweest en mocht tijdens de verjaarspartijen  graag over zijn contacten met de commissaris praten. Hij was getrouwd met Lena Numan en ze hadden twee kinderen. Dat waren de enige neef en nicht van Ina en Dick, want  moeder Griet was enigst kind gebleven. Een innig neven en nichtencontact is er nooit geweest heb ik begrepen.

Hans Strabbing waar wij nog wel eens contract mee hebben was een zoon van  een neef van  Griet.  Oom Henk zoals Ina hem noemde. Die had vroeger een sportzaak in Assen. Ik heb wel eens iets bij hem gekocht, nog voor ik Ina leerde kennen. Hans Strabbing was getrouwd met Amanda en zij wonen nog steeds in Zuidwolde(Groningen). We kwamen er wel eens en zij bij ons, voornamelijk omdat zij helemaal verzot waren op het spotten van beren in Amerikan en Canada. Elk jaar werden de foto's en filmpjes mooier.  Op het laatste noemden wij hen het "berenstelletje", niet in het laatst omdat enige uiterlijke gelijkenis met deze geliefde dieren niet viel te negeren. Hans was concierge op een middelbare school.

 

Al met al was de familie van Ina dus erg klein.


Het gezinsleven van de familie Achterop
Hiermee komen we op het gezinsleven van  de familie Achterop aan de Rolderstraat in Assen, waar Vader Swier zijn middelgrote bakkerij dreef.  

Ina met ouders picknickenHelaas werd hij al vroeg hartpatient. Wat de oorzaak daarvan geweest is zullen we niet meer weten. Was het omdat het beroep van bakker tot een van de zwaarste van alle beroepen behoorde?  Altijd maar weer in het holst van de nacht je bed uit om de oven op te stoken en het brood te bakken, zodat het ‘s-morgens vers afgeleverd kon worden. Zes dagen per week , vijftig weken per jaar; misschien  wel 51 weken. Een week per jaar kon er een vakantie af, ergens aan de Noord-Hollandse kust.

Ina en Dick Alkmaar 1955







                                   bezoek aan de kaasmarkt in Alkmaar 1955

Vader stond voortdurend onder medische controle.  Maar zijn vader en grootvader waren beide ook bakker geweest en zijn veel ouder geworden. Toch behoorde het beroep van bakker tot de minst gezonde beroepen. Misschien waren de hoge temperaturen waaronder ze moesten werken niet bevorderlijk. Toch heb ik ook gehoord dat de stokers op de gasfabrieken juist altijd erg oud werden. Het zal wel vooral het harde werken geweest zijn, gecombineerd met zijn nogal opvliegende karakter. Ina’s vader heeft haar broer Dick in ieder geval altijd afgeraden om hem op te volgen en dat heeft hij ook niet gedaan.  


 

Ina en haar vader




Uit recent onderzoek komt dat bakkers bijna zeven keer meer het risico lopen op allergische klachten dan de gemiddelde Vlaming en ze hebben dubbel zoveel kans op klachten aan de luchtwegen. Dat blijkt uit een onderzoek van de Gentse en Antwerpse Universiteit. Broodbakkers in traditionele bakkerijen hebben de meeste klachten.
Eén en ander heeft te maken met het feit dat bakkers blootgesteld zijn aan inhaleerbare stof en de allergenen die daarin aanwezig zijn, zoals tarwemeel en het enzyme alfa-amylase , een broodverbeteraar. In de kleine, traditionele bakkerijen was de blootstelling aan deze stoffen hoger dan bij industriële bakkerijen.
Maar Ina’s vader had hartproblemen.

 










Ina met haar vader


De vrijdag voor ze op vakantie gingen moest hij nog op controle. Ina ging met hem mee, ze was 14 en ze was gek op haar vader. Bij de controle in de spreekkamer van de cardioloog van het Academisch Ziekenhuis in Groningen was ze er bij. Haar moeder kon niet mee, want die had het te druk met de bakkerij.  De dokter, net terug van vakantie,  was zeer tevreden en hij wenste hen beiden een goede vakantie. Gerustgesteld liep haar vader de spreekkamer weer uit. Tot hij vlak voor de deur begon te wankelen,  op de grond viel en stil bleef liggen. Hij had een hartstilstand en blijkbaar was er niks meer aan te doen. De paniek die haar toen moet hebben bevangen. Je bent net veertien. Dat gaat nooit meer uit je leven vandaan. Haar vader was toen 53 jaar. In die tijd had je echter nog geen psychologen die je door de moeilijkste periode heen sleepten.

Tot dan was ze opgegroeid in een gezin waar men weinig tijd voor elkaar had en je ook maar niet te  veel moest mauwen. Dat was kenmerkend in die tijd. Het was nog niet zo lang na de oorlog en er moest vooral in middenstandsgezinnen  keihard gebuffeld worden. De kinderen werden daarbij ook ingeschakeld. Tijd om met buurkinderen op straat te spelen was er vaak niet, want er moesten  bestellingen aan klanten  worden afgeleverd. Ik herinner me dat van een vriendje die zijn vader een kleermakerij had en die ook een groot deel van de zaterdag bestellingen  moest afleveren. Kinderen van middenstanders waren niet te benijden.
 






Ina en Dick


Daarbij kwam dat Dick en Ina zich thuis van hun moeder altijd gedeisd moesten houden. Hun vader was namelijk een opvliegend man en elke opwinding kon hem fataal worden. Dat legde  natuurlijk een voortdurende druk op het gezin. Het lijkt een beetje af te zien  aan de foto van Ina en haar broer.

Ook speelde mee dat moeder Griet niet een hele warme vrouw was. Gevoelens werden niet gauw getoond. Dat was ook in de geest van de tijd toen. Een van haar lijfspreuken was later “Doe maar gewoon , dan doe je al gek genoeg”  Een uiting van uitbundigheid was bij haar zeldzaam. Misschien kwam dat weer door haar eigen moeder, want volgens Ina was dat een vreselijk mens.  Wie geen liefde krijgt kan het ook moeilijk doorgeven, zo was het misschien. Haar vader was daarentegen juist een opgewekte man.

Ina zal het verdriet van het verlies van  haar vader dus moeilijk bij haar moeder kwijt gekund hebben. Waarschijnlijk zal ze vooral bij tante Sien hebben uitgehuild. Die was toch altijd al een toeverlaat voor haar geweest. Die heeft  haar bijvoorbeeld schaatsen geleerd. Haar ouders hadden daar geen tijd voor. Sien was kinderloos gebleven en had alle tijd. Ze assisteerde ook in de bakkerij toen Swier was overleden en haar schoonzuster er alleen voor stond.

 

 







Oom Marten en tante Sien
Ina met tante Sien

Oom Marten en tante Sien hebben een heel belangrijke rol in het leven van Ina gespeeld. Meer dan een gewone oom en tante normaliter spelen. Geen wonder dat ik er later ook veel contact mee kreeg.

Een beetje een wonderlijk stel was het wel trouwens. Toen ik met Ina verloofd was werd ik  langzaam ingewijd in de familiegeheimen. En zo namen Dick en Riek mij eens een keer ietwat besmuikt terzijde. Want Dick was zo’n beetje de pater familias en die moest dus bepalen wanneer het gezegd  mocht worden. Het ging dus over Oom Marten en tante Sien. Ik had zeker wel al opgemerkt dat oom Marten een beetje apart was?
Nou ja, om die reden en alleen om die reden noemden zij tante Sien en Oom Marten: “ Ot en Sien”.  Van de gelijknamige schoolboekjes dus.

Ina met oom Marten

 


Hoe ging dat ook al weer in die schoolboekjes? Was Ot niet soms een beetje dom en ondeugend? En dat Sien hem dan op het rechte pas moest houden. Zo van “Niet doen Ot!”. Maar Ot deed het dan toch en dan kwam er dus narigheid van. Dan lag bijvoorbeeld de suikerpot waaruit Ot gesnoept had, ondanks de waarschuwing van Sien, in duigen.

Maar zo kwam oom Marten juist niet op mij over. Het was juist een man die nooit maar dan ook absoluut nooit een greep in de suikerpot zou doen of anders gezegd naast welke  pot ook zou piesen. Hij was werkzaam bij de firma Zwartsenberg, een aardappel-en graanhandel in Groningen. Daar ging hij de beurzen en ook de boeren langs en verder deed hij er de administratie. Hij was geheel onkreukbaar. De Ot uit het boekje deed vaak ondeugend, maar de Ot van Sien was een doodgoeie man. En dodelijk saai. Want vaak gaat dat samen, helaas.

 

Ina Marten en Sien

 

 

 

 

Daarbij kwam dat hij een beetje moeilijk uit zijn woorden kwam. Met veel vijven en zessen. Of anders gezegd, hij kwam nooit meteen van de pot. Het begon altijd met zoiets als ”Ik zal maar zeggen”. Je wist dan dat er iets moeilijks kwam. Of ”Om eens wat te numen”. Vaak meende Sien het dan over te moeten nemen. Zij behoorde meer tot het kordate type. Die twee vulden mekaar dus goed aan. Sien was nergens te beroerd voor. Als er eens een knecht ziek was , dan nam zij de bakfiets wel voor haar rekening en ging de deuren met haar waren langs. Want zo ging dat nog in die tijd.

 

TT Assen 1980


Marten was in zijn vrije tijd penningmeester van de Motorclub Assen en Omstreken. Daar ging veel geld in om, want op de jaarlijkse TT-races op het circuit van Drenthe kwamen vaak meer dan 100.000 mensen af en met de sponsoren en adverteerders brachten die heel wat geld binnen. De TT-tijd was dan ook oom Martens’ periode van grootste opwinding.

http://www.youtube.com/watch?v=TQX_mEYySLQ&;feature=player_embedded

 

 

 

 


Ze hebben vast een hele beste aan hem als penningmeester gehad. Met een penningmeester moet je altijd een beetje uitkijken,  wat voor vlees je ermee in de kuip hebt. Is hij graag een big spender, kijkt hij naar de vrouwtjes? Nou Marten was meester kniepstuver in eigen persoon en net zo precies als hij zuinig was. Het was dat bedragen altijd met twee decimalen geschreven worden, anders had hij het in drie decimalen achter de komma uitgerekend. Niemand zou een cent tekort komen. En of  hij naar de vrouwtjes keek?  Ik heb begrepen dat Sien hém heeft genomen en niet andersom. Hoe dat precies zat weet Dick nog wel. Dus met zo’n penningmeester zat je als vereniging gebeiteld.

Maar goed. Dick en Riek noemden hen Ot en Sien. Daar moest je natuurlijk wel mee oppassen, want de kinderen zouden hem in een onbewaakt ogenblik maar zo met die naam kunnen aanspreken. Wisten die veel.
Oom “Ot”  leek een beetje op de echtgenoot uit die Engelse serie ”Appearances”. Een beetje veel wel eigenlijk. Alleen leek Sien allerminst op de deftige Hyacinth. Sien was een warm en hartelijk mens, maar elegantie was niet haar kopje thee.

De manier waarop zij elkaar ontmoet hebben is trouwens zeker apart. Voor de oorlog woonden er veel joden in de Rolderstraat. Het was de jodenbuurt van de stad. Marten werkte in die tijd bij een joodse aardappel-en graanhandel , ongeveer tegenover de bakkerij. Toen in 1943 de joden uit de Rolderstraat werden weggevoerd , bleef Marten met nog iemand de zaak waarnemen. Toen kort daarna de Arbeitseinsatz kwam, waarbij alle ongetrouwde mannen van een bepaalde leeftijdsgroep naar Duitsland toe moesten, zou Marten de straat zijn overgestoken en kwam Sien in de bakkerij vragen of zij met hem wilde trouwen. Kennelijk had hij geen kapers op de kust te duchten, want ze zei ja. Terwijl ze volgens Dick  toch nauwelijks meer dan kennissen van elkaar waren.
Ze gingen vervolgens inwonen bij de ouders van Sien, die in huize Silvana, op de hoek van de Vaart ZZ en de Witterstraat woonden en ze zijn daar nooit meer weg gegaan. Marten heeft Silvana horizontaal verlaten.

Toen na de oorlog de beide broers van de aardappel-en graanhandel terugkeerden en een van hen de zaak weer overnam kon Marten zijn biezen  pakken. Dat werd met recht in de familie als een “jodenstreek”beschouwd. Stank voor dank.

Een keer heb ik me bijna kapot gelachen toen we bij ze weg gingen. Ze lieten ons uit aan de voordeur. Sien stond vooraan royaal te zwaaien en Marten stond achter haar. Dat wist Sien zeker niet, maar toen we een eindje weg waren deed ze een forse stap achteruit en ging met haar grote platvoeten boven op een van de Engelse schoenen van Marten staan. Met haar hele gewicht en dat was nogal wat. Marten gaf geen kik. Wij zagen het nog net. Misschien heeft hij ook wel ”Thank you” tegen  haar gezegd, net als die vent die ik in de Londense metro een keer op zijn tenen ben gaan staan. Ik heb de hele weg terug tot aan huis nog zitten nagrinniken.

Marten was ook nogal flegmatiek. Maar het was een goeie man en hij had het beste met ons voor. Ik heb nog eens een hele partij brandhout in zijn garage mogen opslaan , die ik met zijn buurman na die verschrikkelijke storm van 1972 uit het Asser bos had mogen slepen. 

Verder was tante Sien wat je noemt een "best mens". We kregen altijd ”sniebonen” van haar uit haar grote groentetuin mee, die we dan met Nieuwjaarsdag opaten , samen met een verse worst. Dat was Drentse traditie. En de kinderen kregen onveranderlijk een ijsje als we bij hen op bezoek waren geweest.

Marten beheerde ook de financiële zaken van de familie. Zo had de familie een paar huisjes aan de Langedijk in Assen geërfd. Ik geloof dat een daarvan op naam van Ina en Dick stond.  Later bij de aankoop van ons eigen huis, in 1972, is haar deel daaraan besteed.
Oom Marten ondersteunde verder Ina's moeder met de financiële zaken van de bakkerij, zo lang zij die nog voortzette. Dat heeft zij nog een jaar of vijf gedaan.

Het was in die tijd een slechte tijd voor de bakkers. Er waren er te veel van. Er zaten alleen al in de Rolderstraat zeven bakkers. Toen in 1962 de tunnel geopend werd en de winkels achter in de straat daardoor wat minder in de loop kwamen, werd de zaak verkocht. De omzet werd overgedaan aan de naast gelegen bakkerij Wuite en het pand kon worden verkocht aan de nabijgelegen melkfabriek, de Acmesa. Wat bij het besluit ook meespeelde was dat in 1957 de AOW was ingevoerd, zodat er een basis voor een oudedagvoorziening voor de moeder van Ina was. Dick die zijn moeder een paar jaar in de zaak had meegeholpen, wilde de zaak niet overnemen. Hij zag geen brood in voortzetting van de bakkerij.

.
Ina met Opel Kadett

Tijdens de dood van zijn vader zat Dick in militaire dienst (van april 1957 tot jan.1959)
Mede door toedoen van een familielid, die op de gemeentelijke secretarie werkte en daar militaire zaken deed, mocht hij worden overgeplaatst naar het garnizoen Assen, zodat hij zijn moeder in zijn vrije tijd wat kon ondersteunen.

Na de verkoop van de bakkerij gingen Ina en haar moeder aan de Emmastraat wonen. In die tijd behoorde die tot de betere buurten van Assen. Zo woonde een paar huizen verder naar de Vaart toe een Mr. B.J. Lambers, die nog wel eens venijnige ingezonden stukjes in de Asser Courant of het Nieuwsblad plaatste. Dat was verre familie van mij.

Ina ging toen naar de MULO in Assen, waarna zij een jaar de vormingsklas van de huishoudschool gedaan had alvorens in opleiding te gaan voor apothekersassistente bij Apotheek Karsten in de Kerkstraat te Assen.
Daar leerde zij het vak van “meneer Karsten”. Hij moet  bijna als een tweede vader voor haar zijn geweest, want zij is hem altijd zeer toegedaan gebleven. Ook met de vrouw van de baas kon zij het zeer goed vinden. Zij is er nooit meer weggegaan.

 



De eerste jaren na de dood van haar vader bleef Ina met haar moeder met vakantie nog naar Noord-Holland gaan. Ik trof tenminste foto's aan van een vakantie in 1959 in Bergen aan Zee met opnamen van de Hondsbossche Zeewering. Dick was daar toen ook bij en een vriendin van Ina: Anneke van Buuren.

Kees Schreuder

In 1961 was er een vakantie in Velsen bij een familie Koops. Daar wordt bij een foto voor het eerst gerept van een vakantievriendje, een Kees Schreuder. Ze was toen dus 18.

Het jaar daarop ging ze voor het eerst met een paar vriendinnen naar het buitenland. Dat was in 1962, met de NRV naar Bollendorf, in Luxemburg. Daarbij werden ook Trier, Vianden en Echternach bezocht.

 

Dieter Steimetz

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik tref in het fotoalbum ook een foto van een jongeman in uniform aan met daaronder de naam Dieter Steimetz. Was dat nu dat vriendje waar ze nog een keer alleen naar toe geweest is? Viel ze op uniformen? Die waren er in Assen anders genoeg. Een hele kazerne vol. Dat zal het dus wel niet geweest zijn. 

Er is echter ook een foto van een gezelschapje in Trier, dat ze ook bezocht hebben, waar ook drie heren bij waren die niet tot het reisgezelschap behoorden.

Bollendorf 1962

 

 

 

 

 

 

In 1963 gingen Ina en haar vriendinnen, Riek van de Maden, die haar overbuurmeisje was en Ineke van der Giessen, waarmee ik geloof ik nog een jaar in de klas van de hbs heb gezeten, naar Italië. De eerste keer was naar Cattolica aan de Adriatische kust. Dit was een jeugdreis van de NRV. Een andere daar vlak bij gelegen plaats was Rimini.

 Ina cattolica 1963

 

 


Ina Cattolica
















Ballet en operette

Ballet

Een van haar grote liefdes was ballet. Zowel in haar jonge jaren als op latere leeftijd. In de school-en naschoolse periode was het vooral ballet in de vorm van een soort volksdansen als ondersteuning van operette-opvoeringen, zoals de Csardas Fürstin van Franz Lehar.  Ik ben wel eens mee geweest. Dat waren grote spektakels voor Assen, waar de plaatselijke krant de volgende maandag uitvoerig over schreef.

ballet 4















operette ballet

operette ballet 14 dec 1969



 











                        operette-uitvoering 14 december 1969








De apotheek

apoth.assistentenApotheek Karsten was een begrip in Assen. Mijn ouders gingen er ook heen. Je werd er altijd zeer conscientieus geholpen. De assistentes fluisterden onder elkaar en je werd er ook altijd zacht aangesproken. Vanwege de privacy natuurlijk. Het was dan ook een serieuze zaak. Soms ging het er over leven en dood. Daarom was het heel wat als je daar in dienst kon zijn.

apotheek Karsten








                De assistentes, boven nog in het zwart , links wat ouder en              

                geblondeerd, met dank aan de waterstofperoxyde


              

Apotheker Karsten

Ina kreeg feitelijk haar opleiding op het werk, van de apotheker, die zij altijd met meneer Karsten aanduidde. Daarnaast moest zij regelmatig naar Groningen. Het sprak dan ook vanzelf dat zij na het behalen van haar diploma bij apotheek Karsten in dienst bleef. Daar is zij de rest van haar werkzame leven blijven werken. Eerst nog heel lang onder meneer Karsten. En toen die met pensioen ging bij mevrouw Ineke Jonkman en haar man Jan Jonkman.






apotheek Karsten




Een plaatje uit de oude doos toen de apothekersassistentes een soort verpleegstersuniform droegen







apotheek Karsten


Jan Jonkman, ook apotheker, was echter meer een wetenschapper en kocht later de vroegere psychiatrische inrichting in Zuidlaren om daar het bedrijf Biofarma dat hij had opgericht op grotere schaal voort te zetten. Met de komst van de Jonkmans werd het aan de ene kant wat minder gemoedelijk, maar aan de andere kant werd er wel meer aan leuke uitjes gedaan. Zoals een uitstapje naar Londen ,waar de dames en de bediende op musical The Cats getracteerd werden.

Of op een zeiltocht met een klipper van Lemmer naar Enkhuizen, waar de partners ook bij waren genood. Maar dat was allemaal later.


het afscheid van meneer Karsten met een speech van Ina




Verkering en verloving

Pas met mij kreeg zij serieuze verkering, zoals dat toen genoemd werd. Die was ontstaan tijdens een van de roemruchte Silofeesten die ik in die tijd nogal eens organiseerde.

Mijn grote mede-organisator toen was René Krans. In die tijd studeerde ik al economie. Voor deze feesten betekende dit dat er begrotingen werden gemaakt en na afloop resultatenrekeningen. We betaalden de kosten immers niet uit eigen zak. Daarvoor deden we het te groots en te vaak. Op zo’n feest kwamen toch al gauw zo’n 50-60 man. Voor zover ik weet heeft het mezelf nooit een cent gekost en dat was dan ook wel weer leuk.

De uitnodigingen kregen speciale aandacht, want aan een hengstenbal hadden we geen behoefte. Dus werden de plaatselijke zusterhuizen, waar wij goede connecties mee hadden, aangeschreven. Heel wat van die zustertjes wilden ook wel eens met gezonde jonge mannen omgaan in plaats van met ouwe bedlegerige patiënten. Maar omdat ik ook wel kameraden van de batterij van militaire dienst uitnodigde moesten we nog wel eens extra aandacht aan vrouwelijke genodigden geven.

Als ze dan niet kwamen, zonder bericht van verhindering, werden ze wat mij betreft van de lijst afgevoerd. Dat kostte maar onnodig postzegels. Uit de adreslijst ten behoeve van het feest 25 september 1965 zien we dan ook dat een drietal namen van dames die de vorige keer zonder kennisgeving verstek hadden laten gaan, zijn doorgestreept. Daar was ook een S.A.Achterop aan de Emmastraat bij.

Op de avond in kwestie bleek echter dat er toch enig damestekort was. Daarop opperde de mobiele brigade in de persoon van Rene Krans om de desbetreffende drie dames thuis op te zoeken en te vragen. Als hij vond dat dat moest, dan moest hij dat maar doen vond ik. Maar voor mij hoefde het niet, want wie het de vorige keer had laten afweten, hoefde van mij niet weer gevraagd te worden. Dat was mijn eer te na.

Een uurtje later kwam René weer terug, met in zijn kielzog damesgezelschap. Of het er nu een of meer waren weet ik niet meer, want vanaf dat moment had ik alleen maar meer oog voor die ene. Het zou me niet verbazen dat de foto van dat feestje van Ina en mij op die bewuste avond gemaakt is. Maar het zou ook een studentenfuifje geweest kunnen zijn, want ze zag er op die foto wel erg chic uit. Hoewel, bij de kledingvoorschriften vroegen we wel om "tenue de ville" en daar was later nog ter verduidelijking van gemaakt: geen truien, lange broeken e.d.

Bij die ene kennismaking bleef het dus niet. Trouwens, ik kende haar wel, want ik had in het zwembad  al eens aan een kameraad gevraagd wie die dame met dat goeie figuur eigenlijk was. De verkering begon dus in de herfst van 1965.


De eerste vakanties samen

Kerns 1966Het jaar daarop gingen we voor het eerst samen met vakantie. Omdat we nog niet verloofd waren was het geen optie dat we alleen op vakantie zouden gaan. Zodoende gingen wij mee met mijn familie. Naar Zwitserland. Dat was in 1966. Mijn ouders hadden in de buurt van Luzern, in Kerns, een mooi chalet gehuurd.


Behalve dat ik met Ina was en wij de auto van Ina’s moeder mee mochten, hadden  Wim en Marjan ook een vriend en vriendin mee mogen nemen. Een heel gezelschap dus al met al. Van deze vakantie kan ik me niet veel herinneren, behalve dan die ene tocht met Ina.


Jungfraujoch 1966

 

 

We wilden in het Jungfraujoch een mooie wandeling maken en lieten ons daarbij leiden door rood gemarkeerde stenen die een rondwandeling op ongeveer het zelfde niveau beloofden.
We hadden geen “Bergsteigersrüstung", zoals bergschoenen en een stevig jack. Dat was niet nodig, want het was hartstikke mooi weer en het was toch een toeristische rondwandeling?

 

 

Melchsee 1966

 

Je moest alleen wel goed opletten waar die markeringsstenen lagen. Af en toe liep je wel eens een stukje op gevoel, want ze lagen niet om elke tien meter. Maar na een tijdje zag je er wel weer een. Dat ging wel goed zo. Na een tijdje begon het me alleen wel te bevreemden dat we meer in zuidelijke richting liepen, terwijl we volgens mij meer oostelijk zouden moeten lopen om weer bij ons uitgangspunt uit te komen. Bovendien steeg het pad alsmaar. Het pad werd ook wat minder gemakkelijk begaanbaar. De ruimte tussen de bergwand en het dal werd steeds smaller. Toen het pad weer een bocht de verkeerde kant op maakte keek ik eens goed.

 

Jungfraujoch 1966


Het leek verdomme wel of we naar die top een eind verder liepen. Dit kon dus nooit goed zijn. Op het moment dat ik me dat realiseerde zag ik ook de eerste verandering in de lucht. Er kwam toch geen ander weer aan? Ja dus, en dat ging ineens ook verrekte snel. Toen de zon achter de zware wolken verdween voelden we ineens dat het hardstikke veel kouder was geworden. Ja, we zaten ook op ongeveer 2000 meter hoogte denk ik.

Even later begon het ook nog te motsneeuwen en werd ons zicht bekort tot enkele tientallen meters. Het kan snel verkeren in de bergen en dat viel ons rauw op het dak. We moesten nu heel voorzichtig terug lopen, want het pad waar we over liepen was ineens gevaarlijk glibberig geworden. Ik weet niet meer hoe lang we er over gedaan hebben, maar we kwamen behoorlijk verkleumd weer op onze uitgangsplek aan. We hadden geluk gehad dat we die nog terug hadden kunnen vinden en niet onderweg uitgegleden waren en via de puinhelling verder abgerutscht waren. Dat moet dus in 1966 geweest zijn.







Ook het jaar daarop, in 1967 dus,  zijn we nog met de familie mee geweest. Dit keer naar Tsjecho-Slowakije. Mijn ouders hadden besloten om eens naar Tsjecho-Slowakije te willen. Dat was toen nog communistisch en lag achter het Ijzeren Gordijn. Het was nog voor de Praagse Lente, want die was in 1968.

Het was een tot de verbeelding sprekende vakantie. Ik had toen dus al twee jaar verkering met Ina. Maar alleen met z’n tweeën op vakantie was nog niet verteerbaar voor vooral Ina’s moeder. Ik was 24 en Ina 23. Maar gezamenlijk met de familie mocht wel. Stilzwijgend veronderstelde mijn schoonmoeder dat we dan wel gescheiden zouden slapen.

In 1967 was het nog niet zo lenteachtig in Tsjecho-Slowakije. Wat mijn vader bezielde om daar heen te willen weet ik niet. In ieder geval niet omdat hij communistische sympathieën had. Zo had hij bijvoorbeeld het boek van Viktor Kravchenko in de boekenkast staan: “Ik verkoos de vrijheid”. Het was het relaas van een gevluchte communistische topambtenaar uit Rusland. Ik heb dat boek ook gelezen en mocht je iets voor het Communisme voelen, dan was je na lezing van dat boek daar goed van genezen.  

Waarschijnlijk gingen mijn ouders er puur uit nieuwsgierigheid heen. En waarom dan naar Tsjecho-Slowakije? Ik denk  omdat dit land voor de oorlog nog het meest op het westen leek en omdat het qua natuur een mooi land is. Als je een keer het land binnen was tenminste. Maar dat had toen heel wat voeten in de aarde. Bij de grens stond een rij tot zo wat Tokio. Er waren blijkbaar heel wat westerse nieuwsgierigen. Het duurde dus lang voor je er in kon. Je moest Tschechische kronen kopen enzovoort. En je auto werd intensief onderzocht. Met spiegeltjes keken ze onder je auto of je geen "contrabande" mee had.

Omdat het zo lang duurde stapten we maar eens uit en liepen een stukje langs de rij voor ons. Dat deden wel meer mensen. Sommigen gingen zelfs koffie zetten. En wie lopen wij daarbij als eerste tegen het lijf? De familie Paus, de naaste buren van onze ouders. Waarvan wij helemaal niet wisten dat die ook naar Tsjecho-Slowakije gingen. Want zo innig waren de contacten met deze buren niet. Ze waren nogal op zichzelf. Wij vonden het saaie mensen. Ze hadden een zoon van mijn leeftijd, die ook Jan heette. Ook saai. Mijn moeder noemde hem een ”dooievisjesvreter”. Ik herinner me nog dat ik een keer bij ze aanbelde om iets te vragen en dat die dooievisjesvreter toen op de bank lag te pitten. Midden overdag.

Maar hier aan de grens konden we niet om elkaar heen. Nou, nou , dat was ook wat. Hoeveel Nederlanders gingen er in dat jaar helemaal naar Tsjecho-Slowakije ?  Zo populair was het land echt niet.

Na een heel dik uur konden we eindelijk de grens over. En waren we in Tsjecho-Slowakije.  Erg gastvrij werden we er niet ontvangen. Die smeerlappen van de Tsjecho-Slowaakse politie hadden al direct na de grens een val voor ons kapitalisten uit het westen gezet. Nog geen vijfhonderd meter op communistisch grondgebied werden we al aangehouden door de politie. We zouden te hard hebben gereden. Je mocht er maar 50 km per uur. Nou dat wisten wij niet, want we hadden nergens een bord gezien. En wij waren niet de enigen die dat niet gezien hadden. Er stonden nog een paar Nederlandse auto’s die gepakt waren. En zo kwamen wij onze buurman ten tweede maal tegen. Zo spreek je elkaar een jaar niet, terwijl je naast elkaar woont, en dan heb je ineens in een land waar verder niemand naar toe wil, twee keer binnen het uur contact. Bizar.

Wij waren toen met twee auto’s. Ina en ik, we waren nog niet verloofd, hadden bij de gratie van haar moeder haar keurig onderhouden auto, een Opel Kadet, meegekregen waarmee we achter mijn familie aanreden. Tot in Praag ging alles goed. Vandaar zouden we naar Mala Skala, ergens in het midden van het land. Pa legde op de kaart uit waar dat lag en hoe we moesten we rijden. Voor het geval we elkaar kwijt zouden raken. Maar hij was altijd zo lang van stof. Ik keek met een half oog toe en luisterde ook maar half.

Vlak voor we de stad uitreden raakten we elkaar kwijt. Nou, dat was spannend. Eindelijk vrij. Maar we moesten elkaar ’s-avonds natuurlijk wel weer zien. Al zou het alleen maar zijn omdat we de kampeerspullen over twee auto’s verdeeld hadden. Wij hadden bijvoorbeeld het kookgerei. God, hoe heette dat plaatsje nu ook al weer? Wij hadden de naam niet opgeschreven. En noch ik noch Ina kon maar op die naam komen. Je had ook niks met die Tsjechische namen. We hadden natuurlijk wel zelf een kaart bij ons en ik herinnerde me dat mijn vader in noordoostelijke richting had gewezen. Daar moest dus ergens dat plaatsje liggen; op een 60 kilometer afstand of zo schatte ik. We hadden dus nog zeker een uur om de naam van die plaats op te diepen. Bovendien zouden er wel richtingaanwijzers en plaatsnaamborden verschijnen en dan zouden we ons die gekke naam wel weer herinneren.

Mala Skala campingMaar zo gemakkelijk ging dat dus niet. Na een paar uur zoeken naar campings in de gedachte omgeving kwamen we steeds meer in de buurt van de Oost-Duitse grens. Nou daar moesten we in geen geval zijn. Onderweg kwamen we nog op een camping die bij nader onderzoek een vakantieoord voor fabrieksarbeiders van Skoda bleek te zijn. Voor kaderleden van de Communistische partij dan denk ik. We werden daar vriendelijk rondgeleid door een enthousiast partijlid dat meteen maar een nummertje propaganda weg gaf. Maar het was ons al gauw duidelijk dat dit geen camping voor vakantiegasten als onze familie zou zijn. Verder maar weer. Het werd echter al donker en de Oost-Duitse grens naderde. Omdat we zelf ook geen kampeerspullen bij ons hadden, hebben we toen een hotel opgezocht en hebben daar de nacht doorgebracht. Dat was in dubbel opzicht dus spannend.  De volgende ochtend weer verder zoeken. Na een uurtje reden we door het plaatsje Turnov. En daar op het trottoir van het grote plein, daar stond zo maar Wim. Nou ik denk wel te weten bij wie de opluchting het grootst was. Mijn ouders hadden onze vermissing al aan de politie doorgegeven. Maar in die tijd werd je als buitenlander sowieso al in de gaten gehouden. Wij hadden het met ons tweeën denk ik deze vakantie wel uitgehouden.




Eindelijk alleen op vakantie

Denemarken 1968Het jaar daarop zijn we tijdens onze verlovingstijd, opnieuw met de Opel Kadett van Ina's moeder dan eindelijk met zijn tweeën op vakantie geweest.  Dat was naar Denemarken.  Maar eigenlijk kon dat niet van Ina’s moeder. Samen op vakantie deed je pas als je getrouwd was en “het” mocht. Daarom namen wij demonstratief een tweede tent mee. Ik weet niet zeker of ik deze wel echt heb meegenomen, maar wel dat ik hem niet heb gebruikt. Ina’s moeder was nogal preuts. Maar ze besefte dat ze de tijdgeest niet kon tegenhouden.


Wij gingen lekker kamperen, naar Jutland. Daar was een mooi natuurgebied. Het heette Himmelbjerg. Heel toepasselijk. Het was ook net een Himmelbjerg daar met ons tweeën.  
Dat was dan in 1968, het jaar nadat wij ons verloofd hadden. Want dat deed je toen nog. Met een ring, de ring van belofte. Als we dat niet gedaan hadden, hadden we misschien die auto van haar moeder niet meegekregen.

Denemarken 1968

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Trouwen

trouwdag 21 augIn 1969 zijn we getrouwd. Trouwen was toen nog een van de hoogtepunten  in je leven.Tegenwoordig gebeurt dat veel minder. Jongelui gaan zonder enig ceremonieel samenwonen en daar blijft het dan vaak bij. Dat is toch wel een hele verarming. Mijn oom Gezienus zei vroeger al dat de belangrijkste momenten in het leven de feesten zijn en daar had hij vind ik gelijk in. Maar dan moet het wel een groots feest zijn. Een trouwerij is zo'n groots feest. Vooral voor een bruid vergde het maandenlange voorbereiding, zo geen jarenlange. Vroeger moest er namelijk nog voor "de uitzet" worden gespaard. En als de datum dan een keer was vastgesteld dan moest er zeer veel geregeld worden. Zoals de keuze van de trouwjurk. En samen deed je de keuze voor de locatie, de uitnodigingen en de aard van de te houden feestelijkheden.

De trouwdatum was 21 augustus. Het was niet wat je noemt echt mooi weer. Bij het instappen in de trouwauto was een paraplu nodig. We werden in de echt verbonden door Ina's zogenaamde "oom Eef", maar die geen echte oom was. Hij werkte op het gemeentehuis en had de familie in de bezettingstijd erg geholpen. Hij zat toen ook in het verzet en is nog betrokken geweest bij de overval op het huis van bewaring van Assen. 










trouwdag 21 aug


Een gedenkwaardige gebeurtenis was dat enkel dagen voor ons trouwen de eerste mens voet op de maan had gezet. Dat kon ook op de televisie worden uitgezonden en dat gebeurde dan 's-nachts. Bij die gelegenheid is Riek thuis van de trap gevallen waardoor zij haar been brak. Die verscheen zodoende op ons trouwen in het loopgips.

Als bruidegom had je de taak van het organiseren van de huwelijksreis. Het was mooi als de bestemming voor de bruid een verrassing kon zijn. Die had ik dus geheim gehouden. Het enige dat ze moest weten was dat ze rekening moest houden met warm weer. 

De eerste bestemming was echter de huwelijkssuite met bedstee in hotel Bieze in Borger.



trouwdag 21 aug


De volgende dag ging het met de trein naar Schiphol, waar ik ten slotte de bestemmimng wel moest onthullen.  Mallorca, naar het bergachtige en wat minder toeristische Noorden, bij Puerto Soller.

huwelijksreis 1969








Tijdens of na de vlucht ontmoeten wij een eveneens pas getrouwd stel dat naar precies het zelfde hotel ging als wij. Henk en Mieke Meijer heetten zij en ze kwamen uit Brabant. We hebben samen met hen nog een keer een autotochtje over het eiland gemaakt. In een Fiat 600. Die Henk was echter een niet al te ervaren rijder. Een keer scheerden we in een bocht door de berm en kwamen nog net niet tegen de balustrade, die er niet was. Onze huwelijksreis was toen bijna onze laatste reis geworden, want hoog dat het daar was. Maar je had wel een prachtig uitzicht.

huwelijksreis Mallorca


De vrouwen zijn elkaar nog jaren schrijven, maar we hebben elkaar nooit weer bezocht. Het bleef bij kaartjes. Tot dat ik de kaartjes ging schrijven. En het hield op na het bericht van Henk dat ook zijn bruid van weleer was overleden.  Dat was maar een paar jaar na Ina. Ik heb Henk nog een brief geschreven en dat was het. Hoe bizar kan het toeval zijn.







Toen zij met mij getrouwd was verhuisde zij met mij naar Groningen. Daar konden wij via de Gasunie een flat van makelaar Kamminga aan de Helperzoom betrekken. Dat moet ongeveer op de plek geweest zijn waar ik met mijn vader in de bezettingstijd soms melk ging halen van een boer die daar toen nog zijn bedrijf uitoefende.


Helperzoom

De thuiskomst van onze huwelijksreis begon alleen niet helemaal zoals verwacht. Er bleek te zijn ingebroken en verschillende dingen  waren verdwenen. Zoals de staafmixer, een van onze huwelijkscadeaus. Maar dat was maar een stom ding. Van meer waarde was de koperen granaathuls, die voorzien van een aangezet handvat als bloemenvaas gebruikt werd. Dat was een uniek ding.

Ronduit vervelend was dat de heugafelttegels in het halletje keurig opgestapeld lagen. Kennelijk was het gespuis gestoord en had het de benen genomen. Het lullige was dat er geen sporen van braak te zien waren. Er was  blijkbaar van een sleutel of loper gebruik gemaakt. Het gespuis zou dus ook maar zo terug kunnen komen. De eerste nachten sliep het zodoende wat onrustig. Voor alle zekerheid had ik een hamer onder ons bed gelegd. Daarmee zou ik het gespuis zo nodig te grazen kunnen nemen.




We hadden de smaak van de Mediteranée goed te pakken, want het volgend jaar gingen we naar Ibiza. Dat was een stuk kleiner dan Mallorca, maar het zou ook idylisscher zijn. Dat was op zich wel waar , maar het was er ook toeristischer. Op sommige delen van het eiland huisden zelfs hippies.Dat waren jongelui, die op andermans zak een lui leven leiden en geen enkele verantwoordelijkheid voor wie dan ook namen. Daar hadden wij dus niet zo veel mee. We zijn dan ook niet in hun  kringen verzeild geraak. Het was er lekker weer en we gingen vaak met een bootje mee naar een mooi zandstrand. Alleen hadden we dat bootje niet voor ons alleen.

ibiza

Ibiza











ibiza

Ibiza 1970





















 

N.Italië Het jaar daarop, in 1971 dus,  gingen we met onze nieuwe aanwinst, onze groene Fiat-128, naar Noord-Italië. Gjalt en Vera de Vries, inmiddels ook getrouwd, gingen met ons mee. Het was onze eerste vakantie samen met een ander stel. Gjalt had de vakantie georganiseerd. Hij kende Italië al een beetje. We begonnen in een hut langs het Gardameer. In het huisje naast ons huisden ook twee andere stellen, maar daarvan was een stel met slaande ruzie vertrokken. Het kan dus ook verkeerd gaan. Maar daar hadden wij geen last van. De enige agressie was van Gjalt afkomstig, die na een foute en gevaarlijke maneuvre van een medeweggebruiker het achterraampje naar beneden draaide en de onverlaat luidkeels voor "sakkenwasser" uitmaakte.











Op het Gardameer hebben Ina en ik de beginselen van het waterskiën geleerd, met wisselend succes. Verder hebben we de nodige uitstapjes gemaakt, onder andere naar Verona en naar Milaan. Vooral de Dom van Milaan vormde een hoogtepunt. Na een week aan het Gardameer hebben we nog een paar dagen  in een pension aan het Lago Maggiore doorgebracht. Daar hebben we Italiaans leren eten.


Place de TertreHet jaar daarop gingen we met de Pasen een weekje naar Parijs. Opnieuw met een ander stel. Dit maal waren het Els en Johan Wagelaar, die een flat verderop woonden. Els kende ik van de Gasunie. Wat me van die reis het meest is bij gebleven is de akelig kou. Het was er al die tijd zeven of negen graden. Als je de hele dag in die temperatuur loopt ben je aan het eind zo ongeveer tot op het bot verkleumd. April in Paris, never  again. Misschien viel Pasen dat jaar wel vroeg. We hebben die week echter wel veel gezien.


Parijs Pasen 1972












Het jaar daarop gingen we voor het eerst naar het vasteland van Spanje. Naar Andalusië. Om precies te zijn naar Benaldemadena of Fuengirola, even ten zuiden van Torremolinos. Torremolinos zelf was ons te toeristisch. Daar stonden alleen maar meer torenhoge hotelflats langs de boulevard.  We hebben een erg mooie vakantie gehad. Zo hebben we een tocht gemaakt naar Granada, waar we een bezoek gebracht hebben aan de Jardin de Generalifo, onderdeel van het Alhambra.


jardin generalifo


Jardin Generalifo















Het hoogtepunt van deze vakantie was echter wel de driedaagse excursie naar Marokko.  Die deed je met een boot die voer van Malaga of Algeciras naar Ceuta in Marokko. Ceuta was en is een Spaanse enclave in Marokko. Vandaar reden we met een bus naar Tetouan, een Marokaanse stad. Deze tocht verliep rond zonsondergang door een prachtig gebied, dat bijbelse associaties opwekte.  Het was echt een totaal andere wereld dan die van ons.  Ik heb vanuit de bus mijn ogen uitgekeken.  In het hele landschap vernam  je niets van menselijke bewoning. Alleen zag je van  tijd tot tijd herders met grote kudden schapen en geiten door de weelderig begroeide heuvels dwalen.  Het leek of je hier het verloren paradijs terug vond.

In Tetouan aangekomen hebben we daar de volgende dag de Mediana, de oude stad, bekeken. Daarna zijn we nog een dag in Tanger geweest. Ik vermeod dat daar Ina even een kameel heeft mogen bestijgen. Gelukkig had ze er een goede en aardige kamelendrijver bij, want ze had natuurlijk niet op hol moeten slaan met dat beest.  Want ze was toen wel al bijan zeven maanden in verwachting van onze eerste.

Tanger of Tetouan


Tanger of Tetouan 1972






 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 


 

 

flat Helperzoom De periode aan de Helperzoom van augustus 1969 tot november 1973 is een gelukkige periode in ons leven geweest. Dat is wel aan de foto's te zien.

Wij woonden op de derde etage en hadden van daar een mooi uitzicht op de sportvelden tussen de Helperzoom en de spoorbaan in de verte. In de verte zag je de treinen voorbij komen. In onze portiek woonden zes gezinnen, waarvan vijf  van Gasunie-medewerkers, waaronder twee vrijgezellen, en een door een stel waarvan de man bij het elektriciteitsbedrijf EGD werkte.  

De eerste twee jaar vonden wij het nog niet nodig een auto aan te schaffen.Waarom zou dat eigenlijk moeten? Ik woonde op fietsafstand van de Gasunie en Ina kon heel gemakkelijk met de bus naar Assen, waar zij voorlopig nog, ik geloof fulltime, bleef werken. 

Ina bleef de eerste jaren nog bij apotheek Karsten werken. Sommige van mijn collega’s bij de Gasunie vonden dat een beetje raar. Met mijn salaris hoefde je je vrouw toch niet te laten werken? Dat was wel zo, want we hielden alleen al van mijn salaris royaal over. Maar daar ging het niet om. Zij behoorde tot het geëmancipeerde type vrouw en wilde in principe haar eigen broek kunnen ophouden. Ik vond dat prima.

 

Omdat wij voorlopig nog niet aan een auto dachten, ging zij met de bus naar Assen. Eerst op de fiets naar de bushalte. Daar is haar nog een keer een fiets ontstolen. We hebben trouwens ook nog een blauwe maandag een bromfiets gehad. Overgenomen van Dick geloof ik.

Door al dat sparen konden we na een paar jaar toen wel direct een nieuwe auto kopen. Dat was geloof ik in 1971. Ik weet het nog, een groene Fiat 128.  Tegenwoordig beginnen de jongelui veel vroeger aan een auto, maar hun eersteling is bijna altijd een oud beestje en daarna komt er meestal een iets minder oud beestje. Eerst hadden we een proefrit gemaakt in een Opel. Ina’s moeder had indertijd een Opel Kadett gehad en die waren we gewend. Toen we tegen de verkoper zeiden dat we ook nog een proefrit in een Fiat 128 wilden maken zagen we hem licht wegtrekken. Dat ging hij niet redden. En zo was het. Een blits karretje dat fel optrok, als was het een pasgetrouwde vent.  Nu konden we ook meedoen met de andere mensen in onze portiek en van die daarnaast.

Zoals die "Horlepiepje" zoals Ina dat Indomannetje van beneden noemde. Ruud Luik heette hij en hij was een collega van mij op de afdeling marktonderzoek, met een klein baantje. Hij poetste elke zaterdag zijn auto op de parkeerplaats voor de flat. Daarbij maakte hij bewegingen rond die auto die enigszins op danspassen leken, vandaar de naam. Meestal werd hij vanaf het balkon gadegeslagen door een andere buurman, Jaap de Vries, die architect was en zo lui was als een flint. Later verhuisde die naar Eelde waar hij aan de vijver, vlak bij ons latere huis, een vreemdsoortig huis in houtskeletbouw liet bouwen. Ina noemde dat High Chapparal, naar de gelijknamige westernsoap op TV van die tijd.

Behalve zijn huis was die Jaap de Vries zelf ook wel vreemdsoortig. Hij zou volgens zeggen tot op hoge kinderleeftijd nog bij zijn  moeder geslapen hebben. En dat hij echt lui was hebben we eens ervaren aan de hand van een diavondje van hun vakantiefoto's. Dat zou een hele zit worden in huize High Chapparal. Na tien  dia's viel me op dat het leek of alle foto's vanuit de zelfde positie genomen waren. Te weten zijn vakantiefauteuil. De ene keer zag je zijn vrouw Heleen, later tante Pollewop genaamd, de tent uit komen en even later zag je haar de tent weer binnengaan. Vervolgens hing ze was aan de waslijn. Enzovoort. Er was werkelijk geen ruk aan. En al die tijd zat je zo'n beetje op een droogje. Omgekeerd kwamen ze ook wel eens spontaan bij ons langs. Dat deed je in die tijd nog wel. Maar omdat Jaap 's-morgens niet voor zijn werk op hoefde te staan, waren het notoire plakkers. Het was zelfs zo erg dat wij met andere buren van ons, Johan en Dinie Jagt, waar ze ook wel langs kwamen, ten slotte een waarschuwingssysteem hadden afgesproken. Dat hield in dat als wij of zij de plakkers langs zagen lopen, die dan blijkbaar op weg waren naar het andere stel, wij elkaar telefonisch snel waarschuwden, waarop de anderen snel de gordijnen dicht trokken en het licht uitdeden. Zogenaamd niet thuis. Daarna kon je dat zelf ook maar beter doen, want anders liep je een gerede kans dat ze alsnog bij jou op de stoep kwamen.  Het vervelende was dat Ina en Heleen veel met elkaar op school te maken hadden, vanwege de kinderen. Ina wilde ze dus niet te veel voor het hoofd stoten.

Maar na de volgende gebeurtenis waren we er definitief klaar mee. In de zomer gingen ze wel zes weken met hun caravan ergens heen. En dan kwam Heleen Ina vragen of ze de planten water wilde geven. Elke week was ze er wel een uur mee bezig, zo belachelijk veel planten hadden die lui daar. Waarom vroegen ze hun eigen buren eigenlijk niet vond ik.  Zo moest Ina op de dag van ons eigen vertrek met vakantie eerst nog weer naar High Chapparal. Drie kwartier later kwam ze terug , geheel ontredderd. Ze kon de achterdeur nier meer dicht krijgen. Ze had al een paar keer eerder gezegd dat het slot van die zo moeilijk open en dicht ging. Maar ja, die luie Jaap had er niets aan gedaan en nu wilde hij met geen mogelijkheid meer op slot. Ik erheen maar ook met mijn  gevloek en geweld was het lou loene. Godverdomme. Kunnen wij zelf niet op vakantie, omdat wij dat huis toch niet zo maar met een open deur achter kunnen laten.  We hebben toen de plaatselijke timmerman gebeld en gevraagd of hij nog die zelfde dag wilde komen en dezaakwilde repareren, op kosten van de heer de Vries. Dat zou hij doen en en zo zijn we weg gereden.

Komen we terug van vakantie en komt Ina Jaap in de supermarkt tegen. Natuurlijk vraagt ze naar het nieuwe slot. Waarop Jaap droogjes meedeelt dat het oude slot er al weer in zit. Nou, toen was ook Ina zo ver dat ze Heleen liet weten dat ze dan in  het vervolg maar iemand anders moesten vinden voor hun planten. Maar toen woonden we dus al in Eelde.

Beneden ons in de flat woonde een stel. Persoon heetten ze. Ze waren iets ouder dan wij en hadden geen kinderen. Ze hadden alleen een hond, Schooier genaamd. Wij woonden op de bovenste etage.  Het eerste jaar merkten we niet zo veel van elkaar. We ondervonden lasten noch lusten van ze. Hoewel, het was wel eens hinderlijk dat ze bij het naar bed gaan de verwarming in hun slaapkamer aan-of uitdeden, want dan begon het in onze slaapkamer hinderlijk te tikken en te kloppen. Vanwege de verwarmingsbuizen. En verder ging de buurman nogal gehorig naar het toilet vonden wij. Het was net of hij bovenop de bril ging staan en dan zijn waterval rechtstreeks in de pot wist te mikken. Maar daar konden we dan om lachen. Hij heette Hans en zij heette Bep, maar daar kwamen we later achter.  

Het waren westerlingen. Dat was wel een beetje te merken. Het leverde eens een hilarisch misverstand op, vanwege het verschillende taalgebruik. Op een  dag hadden wij in onze keuken een overstroming. Iets met de wasmachine vermoed ik. De heugafelttegels dreven in de hal, zo erg was het. Daarom liep ik gauw de trap af om Bep te vragen of ze er al iets van merkten. Dus ik bel aan, Bep komt aan de deur en ik val direct met de deur in huis met de vraag of zij misschien ”lekkerij” heeft. Daarop kijkt ze me een beetje verwaasd aan, waarop ze antwoordt dat ze even zal kijken en naar de keuken loopt. Ik, een beetje verbaasd, achter haar aan. Ze loopt naar de koelkast en doet die open. Ik nog verbaasder. Ze kijkt even in de koelkast en zegt dan. ”Nou Jan, het spijt me, maar ik heb geen lekker ei “.  Nou uit dat antwoord bleek dat ze noch een lekker ei noch lekkage hadden.

Bep: "Toen we naar een jaartje of zo wat closer waren en bij elkaar op bezoek kwamen, leerden we pokeren. Jan kreeg toen al gauw de naam van ”dappere wipper”, omdat hij steeds dacht dat er geen ”full house” of “three of a kind”onder de beker zou liggen. Die ”Westerlingen” zouden wel bluffen, dacht hij. Maar dan lag het er toch. Vandaar zijn titel! Vaak werd het behoorlijk laat zo’n avond. Ten slotte moest dan de hond nog worden uitgelaten en dan dat was dan een mooie aanleiding om nog even een frisse neus te halen. Toen we na een van die uitlaattochtjes terug kwamen stond Maarten Rasker , onze buurman, op zijn balkon. Hij vond zeker dat de ochtendstond  goud in de mond had. Een beetje verbaasd zag hij ons aankomen en vroeg ons: ”Wandelen jullie nog of al?”

We gingen ook regelmatig met z'n vieren en later met Carolientje en Schooier ergens in de omgeving wandelen. Zoals bij Norg.


 

Vlieland 1971 (?)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Later zijn we ook eens met ons vieren naar Vlieland geweest. Hans die een goede amateurfotograaf was en zelf nog zwartwitfoto's ontwikkelde heeft daar nog een hele serie foto's van ons gemaakt.